4. Pont de La Blanche tot de tunnel van Linglé (3,7
km).
La voie des pierres qui parlent





> Als beschermheilige
van de mijnwerkers is St-Barbara prominent aanwezig in allerlei kapellen
en nissen die ter ere van haar werden opgericht in de vallei van de Aise
en langs de paden die de 'scailtons' namen op weg tussen hun huis en de
> Wat deed Barbara
om die eer te verdienen? De legende rond haar leven, die wordt gesitueerd
in de periode na de dood van Jezus, toen de christelijke beweging aanvankelijk
nog 'ondergronds' was. Barbara toonde interesse in de nieuwe godsdienst,
haar rijke vader die het Romeinse godenspectrum genegen was liet haar daarom
opsluiten in een toren. Stiekem kon ze toch een priester in de toren binnensmokkelen.
Hij doopte haar. Haar vader die dat nieuws opving was woedend. 'Barbie'
moest vluchten uit haar 'ivoren toren', de bergen in. Daar aangekomen scheurde
als bij wonder een berg voor haar open, zodat ze een schuilplaats kon vinden
in een grot. Later werd ze alsnog gevonden door de Romeinen, ze eindigde
onthoofd. Dat is in enkele lijnen het wonderlijke levensverhaal van Barbara,
waarvan de meest uiteenlopende variante versies bestaan.
> Dat de 'holbewoonster' Barbara sterk aanroepen werd door de mijnwerkers is niet zo verrassend. De aard van hun werk was immers uitgenomen verbonden met gevaar voor gezondheid (mijnstof) en veiligheid (instorting). Traditioneel wordt Barbara afgebeeld met een toren, in mijnwerkerskringen krijgt die toren vaak de vorm van een mijnlamp.

>
Amper 400 meter na de Pont de Duny wandelen we over nog een hoefijzerbrug,
de hoogste en indrukwekkendste van deze vorm op het spoortraject. Opnieuw
zul je moeten afdalen van de spoorbedding om de brug in volle glorie te bewonderen.
Dit is de spoorbrug van 'La Maljoyeuse' of Pont du Vieux Pasay.
Bosviooltje
Bosaardbei
Foto
rechts: Vogelnestje (Neottia nidus-avis), een orchidee. Een verrassing, want
deze merkwaardige plant is door botanici in de vallei van de Aise slechts
2 X waargenomen tot nu toe. Gevonden onmiddellijk langs de spoorzate van L163A.
Het vogelnestje staat als Z - ZZ (zeldzaam - zeer zeldzaam) geboekstaafd in
de Ardennen. In andere Waalse streken - de Calestienne of de Gaume - is hij
een vaker voorkomende gast,
Gevlekt
longkruid
L163
loopt boven Le Pont de Duny,
kort voor La Maljoyeuse.
>
Terug op spoorlijn 163A. Een 300 meter voorbij het station lopen we over een volgende brug, Pont de la Côte d'Aise, en kort daarna stuiten we op een
bareel die de hele bedding overspant. No worries, gewoon er onder door en
verder. Er komt een 'donker gat' aan, we naderen de tunnel van Linglé.
Met deze passage snijdt de spoorlijn door de waterscheidingslijn tussen de vallei van de kleine Aise en de machtige vallei van de Semois die we zo dadelijk bereiken.
> Het verhaal van
deze tunnel lees je straks. Eerst duiken we over 250 meter de duisternis in
om aan de andere kant uit te komen op ... de volgende webpagina ...
Vogelnestje

>
Cugnon komt wel eens in lijstjes van mooiste Ardense dorpen voor. Niet onterecht.
Dit dorp met huizen die vooral uit leisteen zijn opgetrokken straalt wel charme
uit, vooral de dorpskern met oud gemeentehuis (nu VVV-kantoor) en het sierlijke
Sint-Remigiuskerkje in Duitse barokstijl vormen met hun witgekalkte gevels
een harmonieus geheel. Een andere toepassing van het gebruik van leisteen
vind je op het oude kerkhof, hier nog in de schaduw van de kerk zelf gelegen.
Sommige grafzerken in lokale schist dateren uit de 17de en 18de eeuw, mogelijk gemaakt door de scailtons van La Maljoyeuse. Elders
in Cugnon is een kasteel en een watermolen, gelegen bij de Semois.
> Opvallend ook hoe
dit kleine dorpje een rijke geschiedenis heeft (wellicht terug gaand tot het
Gallische tijdvak) en toch nooit uitgroeide tot een groter geheel. Volgens
de legende heeft de Heilige Remaclus hier een tijd verbleven in een grot boven
de Semois. Een kleurrijk verhaal over zijn verblijf hier kan je
elders
lezen op Trekkings.be.
> Korterbij ligt
Mortehan, gelegen binnen een lange meander van de Semois. Maurice Cosyn die
al in 1935 Cugnon en Mortehan in één adem vernoemde merkte toen
een opvallend verschil tussen de tweelingdorpen. In zijn reisgids 'Semois
Supérieur' schreef hij:
'Mortehan verschilt
totaal van uitzicht in vergelijking met Cugnon. Huisjes, vaak met een armzalige
aanblik, opgetrokken in onregelmatige steen, soms gekalkt en met daken van
leischalie staan gelijnd op een lange rotsige kam, smal en bizar ontwikkeld
rond een plaats waar enkel wat schrale heide overgaat in weigras langs de
Semois.'
> Mortehan was duidelijk
een dorp van mijnwerkers, die met schistafval van de leisteenmijnen hun huisjes
optrokken en wat aan veehouderij deden. Onderdak voor mens en dier waren hier
in de architectuur sterk verbonden. Vandaag steekt Mortehan Cugnon de loef
af wat betreft het aantal beschermde gebouwen. Behalve de kerk en het oude
kerkhof zijn in Mortehan maar liefst een dozijn van die hoevehuizen in schist
officieel geklasseerd als beschermd monument. Zo hebben de huizen langs de
Rue de la Semois tussen nummer 23 en 35 bijna allemaal een beschermd statuut.
> Zowel in Mortehan
als Cugnon zijn enkele campings, vooral gericht op stacaravans echter.
> Na de ondergrondse
kennismaking met het harde leven van de 'scailton' trekken we verder dwars
door de vallei van de leisteenmijnen, tesamen met het - in 2006 gecreëerde
- wandelpad 'La voie des pierres qui parlent'.
> Leisteenmenhirs,
met daarop infoborden, vertellen je in een notendop het verhaal van de leisteengeschiedenis
hier. Opvallend aan het traject tot Herbeumont is verder de passage over
en onder 8 bruggen en één tunnel.
> De eerst spoorbruggen
worden allemaal langs boven gepasseerd. Wil je een kijkje nemen over de
mooie hoefijzervormen dan zal je dus even moeten afdalen van het spoortalud.
We eindigen weer in de donkerte van een draaiende spoortunnel nabij Linglé.
La Maljoyeuse
>
Onderweg over de spoorlijn merk je links aan de overkant van de N884 nog vaag
de site van de grootste leisteenmijn in de vallei van de Aise, 'Les Anciennes
carrières' en 'L'ardoisière du Prigeai. Over een strook van
meer dan 600 meter langs de huidige N884 werd hier zowat 250 jaren lang leisteen
onttrokken aan het landschap. In 1924 sloot daar de laatste groeve. Rechts
van de spoorbedding merk je zelfs na 100 jaar duidelijk hoe hier de muur van
leisteen met geweld heeft moeten wijken om er de bedding van spoor 163A in
te forceren. 'Les pierres qui parlent...'
St-Barbara
>
'Maljoyeuse' betekent letterlijk zoiets als 'de onvrolijke'. De oorspronkelijke naam van de mijn, die in 1721 opende, was 'Belle Joyeuse'! Deze deels bovengrondse
/ deels ondergrondse leisteenmijn moest sluiten voor de spoorlijn in aanbouw,
merkwaardig, want spoorlijn 163A werd door de Aisevallei getrokken net om
beter die leisteenmijnen te ontsluiten! Na 1905 was er nog wat beperkte
aktiviteit in deze mijn, waarvan de galerijen tot onder de N884 doorliepen,
maar in 1920 lijkt het definitief afgelopen. Op de oude mijnsite groeit nu
de grootste variatie aan planten in de Aisevallei, wellicht door de zuidelijke
oriëntering van de helling.
Exploratie
van de oude mijnsites.
>
1,3 km na de Pont de La Blanche bereiken we we Le Pont de Duny, een
hoefijzervormige brug. De spoorlijn loopt er niet onder door maar boven
op, zo zullen ook de volgende bruggen worden gepasseerd. Merk op dat boven
op de brug de spoorbedding nog extra met enkele meters is opgehoogd. Vanop
de brug zie je links langs de N884 een kapel
staan, ze is zoals zowat alle
Natuur
in de vallei van de Aise
Cugnon & Mortehan
>
OK, we stomen verder naar Herbeumont toe. Voor een ander zicht op de Pont
de La Blanche kan je bij het einde van deze brug nog even een pad 50 meter
naar rechts een zijpad oplopen.

>
Deze luchtfoto waarop we de ligging van de oude leisteenmijnen inkleurden
toont duidelijk waarom de spoorbedding moest geforceerd worden op de steilere
rechterflank van de Aisevallei. Links lagen immers zowat alle leisteenmijnen
en -groeven. De enige belangrijke mijn die langs de rechterzijde lag is La
Maljoyeuse, waarvan de exploitatie dan ook uiteindelijk moest worden gestopt
als gevolg van de spooraanleg. 2 belangrijke mijnexploitaties staan net niet
op deze kaart: 1° Linglé, bij de samenvloeiing van Aise en Semois,
gelegen op 500 meter links van de kaart, 2° Petite Babinay, op 400 meter
rechts van de kaart.
> Historisch liggen
de vroegste (open) mijnontginningen in het centrale deel van de vallei: La
Maljoyeuse en Les Anciennes Carrières waren al in de 17de eeuw in exploitatie.
De leisteenextractie in de vallei bereikte een hoogtepunt op het einde van
de 19de eeuw, in de periode dat de plannen voor spoorlijn 163A werden ontvouwd.
Na 1920 waren zowat alle mijnen van het westelijke en centrale deel van de
Aisevallei dicht, enkel 3 mijnen van het oostelijke valleideel bleven nog
open (La Morépire, Petite en Grande Babinay). Enkel deze mijnen maakten
na 1920 (op relatief beperkte schaal) gebruik van het spoorstation Orgeo-Ardoisières
om hun afgewerkte leisteenprodukten weg te vervoeren.
> De weg N884 Bertrix
- La Morépire - Aise - Herbeumont werd aangelegd rond 1845. De wegverbinding
Morépire - Saint-Médard (de huidige N824) kwam er pas rond 1885,
met de opening van de oostelijke Babinay mijnen en de realisatie in 1880 van
een eerste spoorlijn in de streek - lijn 165 (Bertrix - Virton), met station
in Saint-Médard en gelegen op slechts 4 km ten oosten van La Morépire.
Nog
een hoefijzerbrug, Pont de l'Hermitage
Spoor
kort na Pont de La Blanche
In
de vallei van de Aise komen verscheidene soorten wolsmelk voor
Spoorbedding
onderweg naar La Maljoyeuse
omwille van de kalkhoudende grond daar. Het blijft echter een erg kieskeurige
groeier: De bodem moet de juiste schimmels bevatten, daarmee leeft hij immers
in symbiose. Hier is de gastheer een beuk. Er ontstaat een soort wisselwerking
tussen de schimmel en de beuk, De beuk krijgt via de schimmel water en mineralen
terwijl hij op zijn beurt koolhydraten afstaat die de groei van het vogelnestje
mogelijk maken. Het vogelnestje is dus een zgn. epiparasiet. Kenmerkend is
ook dat hij door zijn groeiwijze geen bladgroen produceert. Hij is bleekbruin
gekleurd, vrij pigmentloos eigenlijk. De naam 'vogelnestje' verwijst naar
de in elkaar gevlochten vorm van zijn dikke wortels. Onnodig te stellen dat
het hier om een beschermde plantensoort gaat.
> De spoorlijn
trekt hier door een prachtige natuur. Verlaten spoorzates zijn vaak plaatsen
met een erg gevarieerde plantengroei in de bermen. Het is niet anders langs
lijn 163A. Geniet langs het hele traject tot Herbeumont van een sterk wisselende
variatie aan wilde planten. Op de oude open leisteenmijnen groeien een paar
eerder zeldzame varensoorten, zoals de rechte driehoeksvaren en de gelobde
maanvaren.
> Onder de meer
opvallende planten die we onderweg zelf opmerkten oa gevlekt longkruid,
aronskelk en de merkwaardige orchideeënsoort 'vogelnestje' (zie foto).
Foto's links zijn van de mooi gerestaureerde Sint-Barbarakapel (Chapelle du Boulois), gelegen op een kruispunt van mijnwerkerspaden,
tussen de L163A-spoorbrug 'Longue Roye'
en de vallei van de Aise te Herbeumont.
Oorspronkelijk werd de kapel gebouwd in 1877. Ze heeft een bewogen geschiedenis. In 1914 werd aan de voet van de kapel een Herbeumontois vermoord door de Duitsers. Verscheidene malen is het beeld van St-Barbara gestolen. In 1977 werd voor 12.000 francs een nieuw beeld aangekocht van 80 kilo. Uiteindelijk belandde dit beeld in de kerk van Herbeumont om diefstal of vandalisme te voorkomen. In 1990 werd de kapel in 2 gekliefd toen er een boom op neer kwam tijdens een storm. In 1993 werd de huidige kapel geplaatst, ze lijkt gedeeltelijk op de vorige.
Een houten beeldje van Sint-Barbara van zowat 200 jaren oud zorgt voor bescherming op de museummijnsite van 'Au coeur de l'ardoise'. Nog ieder jaar wordt dit beeld in Herbeumont meegedragen in een processie.
Constructie
van de spoorbrug te La Maljoyeuse rond 1909. Hier is mooi te zien hoe de spoorlijn,
die OVER de Pont du Vieux Pasay zal lopen, midden door de leisteenmijn van La Maljoyeuse
snijdt. Linksboven is een afgetopte mijnterril, rechts oude mijngebouwen.
Deze foto van fotograaf Louis Lenzen illustreert ook mooi hoe men te werk
ging om een spoorbrug aan te leggen. Eerst werden de steunmuren en trechtervormige
zijmuren opgetrokken (zichtbaar rechts onderaan). De eigenlijke boogvormige
overwelving werd eerst tijdelijk in hout opgetrokken waarop in baksteenlagen
daar bovenop dan het definitieve gewelf werd gemetseld.
Foto
genomen door fotograaf Louis Lenzen op 8 oktober 1912 en op enkele honderden
meters ten W van La Maljoyeuse. Boven de treinbedding, onder de huidige weg
N884. De sporen die er liggen zijn niet de definitieve, maar werksporen. Deze
foto toont eens te meer aan wat een litteken door de aanleg van de spoorlijn
in het landschap werd getrokken.
> Tijdens de
lente bloeit pinksterbloem langs de spoorlijn uitbundig in hele bosjes.
De lichtpaarse bloemen trekken in de lente het oranjetipje aan. Dit vlindertje,
waarvan het mannetje witte vleugels heeft met dieporanje vleugeltippen,
vliegt enkel in mei tot begin juni uit. Andere vlindersoorten, zoals het
landkaartje en een spectrum aan insekten nemen over in de zomermaanden
> De infoborden
vermelden ook de aanwezigheid van de zwarte ooievaar in de streek, hoewel
je wel superveel geluk moet hebben om deze zeldzame en schuwe vogel op te
merken.
> Als de zwarte
ooievaar eind september koers naar het zuiden zet en de herfst er aan komt
kleuren de loofwouden langs de spoorzate diep geel, oranje en rood. Paddestoelen
ploppen massaal uit de grond. Rond 15 oktober bereiken de herfstkleuren
een maximaal kleurenspectrum. Oktober (tot eind december) is echter ook
de periode van geknal en hoorngeschal: Jagers gaan in de bossen van de Aisevallei
'wild' te keer en verstoren en met 4 X 4 en drijfjachten bruusk de natuur.
Overal wordt hier gejaagd, de jachtpanelen zijn wel duidelijk wat data en
toegangverbod betreft.
> De winter zet
in, een moment om spoorlijn 163A eens te ontdekken met een laagje sneeuw
op de bedding. In de tunnels hangen meterslange ijspegels van het plafond.
De galerijen van enkele oude steengroeven, met name in de buurt van Linglay,
vormen een overwinteringsplaats voor één van de belangrijkste
en meest gevarieerde vleermuizenpopulaties in België (enkel te bezoeken
door gespecialiseerde biologen).
> Vergeleken met
andere oude leisteengroeven in de Ardennen is op de oude mijnsites en terrils
in de vallei van de Aise de grootste variatie aan planten en insekten aanwezig.
Deze vallei kreeg dan ook een basisbescherming als 'Natura 2000'-
gebied.
als witte schermbloemen, leverkruid en beemdkroon openbloeien. Met wat
geluk zie je hier dan een zeldzame rouwmantel of morgenrood neerstrijken
in vallei van de Aise of de wild heen en weer vliegende keizersmantel, één
van de grootste vlinders.
> De kapellen in
en rond de Aisevallei dateren vnl uit de tweede helft van de 19de eeuw, dat
is immers ook de periode waarin de leisteenontginning hier grotendeels ondergronds
ging en werd geïndustrialiseerd. De kapel die je ziet vanop de hoefijzerbrug
dateert uit 1886. Toen in 1957 de leisteenmijn 'La Grande Babinay' sloot,
verhuisde het plaatselijke Sint-Barbarabeeld tesamen met de arbeiders naar
de vlakbij gelegen mijn van Morépire. Toen ook die mijn sloot in 1977
vond Barbara onderdak in de kerk van Herbeumont. Met de heropenstelling van
'La Morépire' als museummijn was er ook weer bescherming nodig voor de arbeiders en bezoekers...
en jawel, de pastoor van Herbeumont schonk het beeld terug, zodat Barbara weer ter plaatse haar zegenende functie kan uitoefenen!
Het beeld verhuist één keer per jaar terug naar Herbeumont voor de processie.
> Om tot slot nog
de link te maken met recreatief wandelen vermelden we nog dat op 4 december
2006 in de Borinage en het Maasbekken een 280 km lang GR-wandelpad werd geopend
dat oude mijnterrils als thema heeft, dit pad werd gezegend met het nummer
GR 412, verwijzend naar de feestdag van Sint-Barbara 4/12.
> Rondstruinen bij de
ingangen van de ondergrondse galerijen of bij mijnschachten is niet zonder
gevaar en bovendien bieden sommige van die mijningangen een veilige overwinteringsmogelijkheid
voor vleermuizenpopulaties. Blijf op paden, zeker ook als je met kinderen
wandelt. Er zijn in het verleden al ongelukken gebeurd. In de reisgids 'Semois
Supérieure' (1935) van Maurice Cosyn lezen we het volgende: '...links
van ons de ingang van een oude leisteengroeve, nu dichtgemetseld. Vroeger
kon je er gewoon binnenin het avontuur opzoeken. In 1919 kwam hier een jonge
officier, net terug van de oorlog, met enkele toeristen kijken. Hij ging voor
in de donkere leisteengroeve en viel plots in een schacht. Hij was op slag
dood...'
Oorspronkelijke
brugrelingen in sierlijk gietijzer.
Pont
de Wilbauroche rond 1930 in de richting van Bertrix
Tenderlocomotief type 11 in het station van Cugnon-Mortehan.
Foto is vermoedelijk genomen in de jaren '20. De omgeving is nu haast onherkenbaar veranderd.
Cugnon:
Watermolen. Maurice Cosyn beschreef deze plaats in 1935 als volgt:
'Oud gebouw opgetrokken met onregelmatige steen met een hoog schaliedak en
een bemost rad. Het geheel oogt oud en pittoresk. ' 70 jaren later
oogt de omgeving nog even 'pittoresk'.
L163
loopt bovenop de prachtig hoefijzerbrug van La Maljoyeuse of Pont du Vieux Pasay,
nogmaals een brug die met al even indrukwekkende steunmuren stevig in het
landschap is verankerd.
Omgeving
verdwenen station van Cugnon - Mortehan
Nieuw station Cugnon-Mortehan eind jaren '30.
Koevinkje
Rechte ganzerik
Kapel
Sinte-Barbara van Maljoyeuse
>
Zo'n 600 meter voorbij La Maljoyeuse loop je over een volgende
hoefijzerbrug, Pont de l'Hermitage. Spoorlijn 163A is ondertussen licht gedraaid en loopt
nu in zuidwestelijke richting.
> Nog 500 meer bereik
je een grotere brug: Het spoor kruist hier via de brug
van Wilbauroche voor de tweede maal de asfaltweg N884 naar Herbeumont.
> De brug is in zeer
goede staat, dat is ook nodig omdat er autoverkeer onder passeert. Het bakstenen
plafond van de brug heeft een cementlaag gekregen en bovenop is de oorspronkelijke
lange reling in mooie staat bewaard: Krullend gietijzer met leliemotieven
in onvervalste art nouveaustijl uit het begin van de 20ste eeuw!
> De toegang tot
de ondergrondse leisteenmijnen was meestal via een aflopende galerij tot
een niveau van -25 meter of dieper, waarbij vaak op verschillende diepere
niveaus werd gewerkt. Soms waren er ook schachten die vertikaler en dus
korter de verbinding met de zalen maakten waaruit de leisteenblokken werden
> Bovengronds was
er ook een hele mijninfrastructuur: Barakken met ateliers waarin de
bovengehaalde steen werd gespleten en bewerkt door de arbeiders, bureaugebouw
van opzichters en direkteur, deceauvillesporen, een opslagplaats voor springstof
(gewoonlijk iets afgelegen van de andere gebouwen) en een infrastructuur
die te maken had met energieproduktie. Tot eind 19de eeuw werd veel 'sleurwerk'
verzet met de hulp van paarden en hydraulische mechanika, daarna werden
nieuwere energiebronnen aangesproken: Stoommachines, dieselpompen en electriciteit.
> Op zoek gaan
in de bossen van Herbeumont naar overgebleven sporen van die leisteenindustrie
is ongetwijfeld een bron van inspiratie voor meer 'urban exploring'. In
dit verslag gaan we er echter niet verder op in. Veel gebouwen waren opgetrokken
in schist en zijn meestal verdwenen, de stenen werden met of zonder toestemming
vaak 'gerecupereerd'. De meer afgelegen mijnen zijn de interessantste om
sporen terug te vinden: Linglé, Wilbauroche, Petit Babinay, Les Collards.
Mail me als je hier op exploratie
bent geweest of indien je info kan verschaffen over de ondergrondse galerijenstructuur
van deze lang gesloten mijnen.
Pont
de Wilbeauroche nu in de richting van Herbeumont
Bouw van de Pont de la Côte d'Aise in 1908.
Pont de la Côte d'Aise.
>
Kort na die passage komen we op het grondgebied van de gemeente Herbeumont.
Niet de eerst keer in feite. Het dorp Gribomont en Saint-Médard behoren
immers ook tot Herbeumont. In de vallei van de Aise daarentegen liepen we
de hele tijd op het grondgebied van Bertrix. De Aisebeek vormt hier de grens
tussen de 2 gemeenten.
> 500 meter na de
brug van Wilbauroche bereiken we ook een volgend treinstation van L163A, het
station van Cugnon - Mortehan. Eigenlijk
ligt dit station meer dan 1 km van Mortehan en 2 km van Cugnon, de afstand
moet niet echt comfortabel geweest zijn voor de pendelaars en bovendien doofde
het economisch belang al snel uit toen zowat alle leisteenmijnen rondom gesloten
werden. Toch


werd
er eind jaren '30 nog een nieuw station opgetrokken (nu verdwenen), in dezelfde
stijl als het station van Muno, precies 15 km meer zuidelijk.
> Even opletten want
in de omgeving van de voormalige stationssite is de spoorzate wat onduidelijk
en lopen er parallelle paden. De menhirs van 'La Voie des pierres qui parlent'
kunnen als herkenningsteken dienen. Eigenlijk wordt je door een korte links-rechts
even afgeleid van het spoortraject. Het gekasseid pad waarover je loopt vormde
de verbinding tussen de leisteenmijn van Wilbauroche en het station. Het is mogelijk om het spoortraject te volgen al moet je daarvoor 's zomers door opgeschoten gras. Op die oude treinbedding groeit een gevarieerde flora, die op haar beurt nogal wat insekten aantrekt.
> We zijn nu precies
10 km ver sinds we op de brug van (Y) Orgéo vertrokken.
> Een leuke 'zij-uitstap' is de volgende: Als je op een kruispunt van paden komt bij het begin van de stationssite van Cugnon-Mortehan neem dan een parallel pad dat langzaam de vallei van de Aise uitklimt. Dit is een oud mijnwerkspad waar - over eeuwen heen - wellicht honderden scailtons dagelijks tussen Herbeumont en de de mijnen in de Aisevallei pendelden. Na zowat één kilometer,op het hoogste punt, bereik je de kapel van Saint-Barbara waarover we hierboven in dit verslag uitwijdden. Wandel daarna gewoon terug want het volgende stuk is te leuk om te missen.
>
Wil je Mortehan en Cugnon bezoeken verlaat dan 300 meter na het station bij
een volgende brug - Pont de la Côte d'Aise - (100 meter voor de tunnel van Linglé) eventueel het
spoortraject. Neem aan de brug het pad rechts en na 300 meter ben je op de
N884, wandel daar naar links.
Mortehan:
Eén van de sinds 1972 geklasseerde huizen langs de Rue de la Semois.
Kijk ook even hoe de huizen in schiefersteen zijn opgebouwd als je hier wandelt:
Er is meestal geen mortel of andere specie gebruikt tussen de ongelijke bouwstenen.
Tunnel
Linglé zuidelijke toegang.
Linglé,
onder een bareel door tot de tunnel
kapellen
in de vallei gewijd aan Sint-Barbara. Met de sluiting van de mijnen zijn sommige
van die miniheiligdommen ook helaas niet ontsnapt aan verval: Het beeld van St-Barbara in de buitennis verdween al in 1950, ook het beeld binnenin werd lang geleden ontvreemd. De kapel werd voor het laatst gerestaureerd (nieuw dak en deur) in 1993 door de gemeente Bertrix.
Seizoenen