6. Herbeumont - Sainte-Cécile (5,8 km).
> Blijf je het GR-pad volgen dan kom je 25 minuten
later bij één van de mooiste uitzichten van de Ardennen: Le
Tombeau du Chevalier (rustbank). Nog 5 minuten verder heb je een tweede
zicht over 'Het graf van de Ridder' (schuilhut). We raden deze 'ontsporingen'
weg van spoor 163A van harte aan!
> Vandaag verkeert
het viaduct in geen al te beste staat. Daal eens af in de vallei van de Semois
en je merkt dat ook hier het afwisselende proces van vorst en dooi het kunstwerk
flink hebben aangevreten. Hele baksteenrijen zijn al naar beneden gekomen.
Ter hoogte van de doorgangsweg bij de camping is een stellage aangebracht
om passanten te beschermen tegen vallende bakstenen.
> Bovenop is het
niet veel beter. Het losgekomen gesteente van de borstwering zorgde voor een
onveilige situatie. In het boek 'Langs oude Ardense spoorwegen' van Gunter
Hauspie en geschreven in de jaren '90 lezen we het volgende: 'Een
hele arm kunnen we door de scheuren van de bouwvallige stenen brugleuning
steken. Nietsvermoedend peddelen twee kajakkers onder ons door...'
Verder zijn er nog de wilde verhalen dat er vanop de brug enkele zelfmoordsprongen zijn gebeurd. Er is hier dan rond 2004 nogal radicaal en met veel wansmaak ingegrepen: De
brugrand werd afgebroken, er werd een laag asfalt over de spoorbedding gekapt
en de ontsiering bereikte haar climax toen een dubbele metalen hekkenconstructie
over de hele lengte werd geplaatst.

Postkaartfoto
genomen rond 1920 vanuit een ongebruikelijke hoek. Links komt de spoorlijn
uit Herbeumont, nog duidelijk zichtbaar moest daar een hoog talud worden gemaakt,
daarvoor werd de steenballast van de uitgraving 1 km eerder gebruikt. Op de
achtergrond zie je nog de oude driebogige auto- en voetgangersbrug (Pont de
Conques), over de huidige N884. Na WO II is deze brug vervangen door een éénbogige
overspanning. (foto Nels)
Noordelijke
tunnelingang Conques, 1357 meter lang.
Overal afbrokkelende baksteen.
Zevenbogig
spoorviaduct over de Semois tussen Herbeumont en Sainte-Cécile
Winter
over Herbeumont. Achterin viaduct van spoorlijn 163A, voorin brug van de N884.
>
Voordeel van de lelijke afrastering is dat het viaduct op die manier kon openblijven
voor wandelaars en dat fietsers een zachtlopende ondergrond kregen. Het was
blijkbaar dit of viaduct dicht. Een noodoplossing eigenlijk, oplapwerk.
> De vraag is natuurlijk
hoe je zo'n bouwwerk restaureert: De pijlers dicht cementeren bijvoorbeeld
zou zeker een deel van de charme wegnemen.
> In juli 2005 was
er trouwens nog een incident rond die afspanning. Militairen hadden (zonder
toestemming van de gemeente Herbeumont) de speciale bouten waarmee de afspanning
in de tunnel is gehecht losgevezen om rapeloefeningen te doen. Achteraf hadden
ze de bouten niet terug ingevezen. Een paar dagen later hadden enkele vandalen
dan de afspanning omvergegooid. De doorgang over het viaduct moest daardoor
in volle toeristische seizoen een tijdje worden afgesloten.
>
Onmiddellijk bij het einde van de brug over de N884 zie je rechts een pad
dat naar de N884 daalt. Zo kan je even W tot de autobrug over de Semois wandelen
(250 meter) voor een mooi uitzicht over het spoorviaduct van Conques.
> Wandel terug dan naar waar je de spoorbedding verliet
en onderweg zie je rechts witrode tekens van het GR-pad Ardennen-Eifel (Sentier
de la Semois). Volg de tekens rechts stevig bergop en na 15 minuten kom je
zo bij het schitterende uitzichtpunt Rocher du Moulin (schuilhut). De winterse
foto hierboven van de bruggen over de Semois is van daaruit genomen. Ook een
uitzicht over het kasteel van Herbeumont.
Superieure
kruising met de Rue de Bravy

>
Dit traject is het meest spectaculaire deel van
spoorlijn 163A. Tussen de stations van Herbeumont en Sainte-Cécile
liggen twee grandioze kunstwerken die tot de meest indrukwekkende spoorinfrastructuur
behoren die in België ooit zijn gebouwd: Het viaduct over de Semois en
een spoortunnel die met 1357 meter lengte ooit de langste van België
was. Beide monumenten zijn in een staat van verval, wat ze eigenlijk nog aantrekkelijker
maken in het kader van dit railtrackingverslag.
> Helaas is de natuurlijke
afbraak van de tunnel van Ste-Cécile zo ver gevorderd (afbrokkeling van het bakstenen
gewelf) dat de gemeente Florenville in 2004 op politiebevel het kunstwerk
officieel heeft gesloten. Zelf verkenden we verscheidene malen de binnenkant
van de tunnel, we zijn immers al sinds 1998 de resten van deze spoorlijn aan
het exploreren. Het viaduct van Conques dat de Semois kruist is daarentegen
wel nog toegankelijk, door een ingrijpende en weinig smaakvolle afrastering
bovenop.
Viaduct
Conques over de Semois
>
We tracken hier de historische loop van spoor 163A, dus ook door de tunnel,
gebaseerd op de ervaringen vanaf 1998. Alternatieven voor de tunnel-passage
lager hier.
Spoor
over de N884 te Conques
Traliewerk
en asfalt over het oude viaduct
De
max voor de railtracker:
Kamperen onder het historische viaduct.
Zoekplaatje,
zoek het verschil: Foto boven nam ik in 1998, foto onder in 2008.
Overkapping
tegen vallende bakstenen
> De kloostergebouwen
van Conques hebben een erg lange geschiedenis. In 648 gaf Sint-Remaclus
de opdracht om hier in de streek een klooster op te richten. De graven van
Chiny schonken het domein in 1173 aan de monniken van Orval. Aanvankelijk
werden die gronden verpacht en stond er enkel een schuur. In 1694 werd een
rusthuis/studiehuis voor de monniken op deze plaats gebouwd. In 1718 werd
zelfs een kerk ingewijd. Zoals elders moest ook Conques sluiten tijdens
de Franse Revolutie. De priorij werd opgeheven in 1793. Pas in 1913 kwamen
er terug monniken, verdreven uit Normandië. Niet voor lang echter.
In 1924 zijn ze alweer weg.
De
noordelijke tunneltoegang bij de bouw rond 1910. Er werd hier een cementfabriekje
gebouwd om in specie te voorzien voor de bouw van het tunnelgewelf. Het spoorlijntje
dient om steenafval af en bouwsteen aan te voeren. (foto Nels)
Tripmadam
Stalkaars
Grote keverorchis
Keizersmantel
Gouden tor op valeriaan
Parende koevinkjes
Weidebeekjuffer
Le
Tombeau du chevalier
Priorij
van Conques rond 1920 (postkaart)
Bierviltje
van de Stella uit de jaren '70
>
OK, na een bezoek aan Herbeumont en zijn kasteelruïne pikken we het spoor
terug op bij het kaalgeslagen station van Herbeumont.
De spoorbedding is gedeeltelijk geasfalteerd, met de bedoeling hier een stukje
RAVeL (fietspad) te creëren.
> Na 350 meter lopen
we over de 16de brug. Ze overspant de N884,
hier de Rue de Bravy. Net zoals spoorlijn 163A loopt de N884 naar Saint-Cécile,
maar over de weg doe je er wel bijna 9 km over, over de spoorweg nog geen
6 km, de tunneldoorsteek van het spoor verderop is de reden.
> In 1942 werden de
gebouwen verkocht aan de familie De Naeyer die er nu nog een driesterren
hotel met restaurant uitbaat. Gastvrijheid in een klooster, maar je moet
er wel stevig wat euroflapppen voor neertellen. Slapen kan vanaf 100 €
voor een single en eten vanaf 30€.
> We
herhalen uitdrukkelijk dat Trekkings.be niet verantwoordelijk is voor problemen
onderweg op je tocht voortvloeiend uit de informatie op deze site. Opgelet: Sinds aug 2010 is de tunnel weer afgesloten met hekkens en prikkeldraad. Update oktober 2010: Afrastering is aan beide zijden opengebroken. Update maart 2011: Nog steeds opengebroken. Update mei 2011: Situatie onveranderd. Update oktober 11: Idem. Update april 12: Idem. Update mei 12: idem.

> Over de Semois
te Conques werd een bakstenen viaduct aangelegd van 38 meter hoog, 160 meter
lang en bestaande uit 7 boogoverspanningen. De bouw van het viaduct werd door de firma Cox-Stassin al aangevangen in 1902, daarmee vormt dit viaduct het oudste kunstwerk op de spoorlijn. Eerst werd er een passerelle over de Semois aangelegd met decauvillespoor voor aanvoer van de bouwstenen. De pijlers werden dan eerst opgetrokken, in een volgend stadium werden de boogoverspanningen gerealiseerd, daarna werd het brugdek gebouwd en in een laatste stadium werd de borstwering gemetseld.
> Er werd 4 jaren aan gebouwd en
er zouden ongeveer 9 miljoen bakstenen in het viaduct zitten. De bakstenen
constructie, de sierlijke hoge bogen waarvan de middelste bijna 40 meter boven
de Semois reiken zijn zondermeer indrukwekkend.
>
Het is echter vooral de fantastische setting dat van dit bouwwerk misschien
wel het mooiste spoorviaduct van België maakt. Desondanks is dit kunstwerk
geen beschermd monument. Gevolg is dat er ook niet wordt geïnvesteerd
in onderhoud en herstelling van het viaduct.
> Het viaduct van
Conques met zijn bakstenen pijlers en bogen behoort eigenlijk tot een bouwstijl
die in het begin van de twintigste eeuw op zijn einde liep. Tijdens WO I wordt
door de Duitse bezetter immers voor het eerst beton en staal aangewend bij
de bouw te Moresnet van wat nog steeds het langste spoorviaduct is van België
(1,2 km). In Sint-Anna-Pede staat een 540 meter lang viaduct, gebouwd eind
jaren '20 waarvan zowel de pijlers als de bogen in gewapend beton zijn opgetrokken,
erg vernieuwend voor die tijd.
Noordelijke
tunneltoegang
> Aan de overzijde
van de brug zijn we op het grondgebied van de gemeente Florenville. De resterende
12 km van het Belgische traject zullen in deze gemeente lopen, eerst langs
het dorp Sainte-Cécile en dan Muno. Zowat 100 meter na het viaduct
kruisen we (superieur) voor de vijfde maal de N884 over een rondvormige
brug. Het bruggewelf was hier in tegenstelling tot de 3 vorige kruisingen
met de N884 niet gecementeerd.
> Op een paar 100
meter, in de richting van de Sainte-Cécile, liggen langs de N884
de voormalige kloostergebouwen van Conques.
> De tunnel van
Conques op spoorlijn 163a was met 1357 meter lengte ooit de langste van
België. Niet voor lang echter. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bouwden
Russische dwangarbeiders onder Duitse bezetting in recordtijd een spoorlijn
tussen Aken en Tongeren. Tot de talrijke kunstwerken op spoorlijn 24 behoort
de tunnel van Veurs, gelegen onder de huidige gemeente Voeren (Limburg).
In februari 1917 al (2,5 jaar na de openstelling van spoorlijn 163A) werd
ook lijn 24 ingereden. De tunnel van Veurs is 2130 meter lang en nog steeds
in gebruik. Als je de ondergrondse verbindingen van trein / tram / metro
in de steden Brussel, Luik en Antwerpen buiten beschouwing laat was deze
tunnel tot voor kort de langste van België. 'Tot voor kort' want op
20 oktober 2004 werd na 3 jaren graven de doorsteek gemaakt van de tunnel
op de nieuwe HSL3-verbinding tussen Luik en Aken. Tussen Chenée en
Soumagne ligt nu een tunnel van maar liefst 6,5 km lengte. Sinds 2005 is
deze tunnel helemaal afgewerkt, in 2009 rolden de eerste hogesnelheidstreinen
er door aan een maximum snelheid van 200 km /u.

>
150 meter na de brug over de N884 heb je rechts nog een pad dat
omhoog loopt naar het uitzichtpunt 'Tombeau du Chevalier'. (volg de symbolen
met groene rechthoeken). Op dat punt, waar dat pad rechts aftakt van de spoorlijn,
staat een waarschuwingsbord dat je verbiedt door de tunnel te lopen. In dit verslag blijven we het spoortraject echter trouw volgen.
Wil je de tunnel vermijden kies dan voor een mooi alternatief dat wel dubbel
zo lang is: Het Sentier de la Semois (zie tekstvak hierboven) of bunk jezelf een pad via de ontsnappingspaden vlak voor en na de tunnel.
Sentier
de la Semois
> Op slechts 300
meter ligt het centrum van Sainte-Cécile. Er is ondermeer een café
en een superette (Courthéoux). Camping de la Semois: Volg de Rue
de Muno over 1,1 km richting Chassepierre en dan links (staat aangeduid).
Sainte-Cécile ligt op de grens van Ardennen en Gaume, dat reflecteert
oa in de aard van woningbouw. Rond de forse klokkentoren zie je zowel huizen
die in Gaumse zandsteen zijn opgetrokken als huizen gebouwd zijn met de
typische schiefersteen uit de Ardennen.
> Hier ook kruisen
2 bekende langeafstandspaden:
Sentier
de la Semois (GR 16, of deel van het AE-pad) en de
Gaumeroute.
Wandelen langs de oevers van de Semois tussen Sainte-Cécile en Herbeumont
staat garant voor genieten. In de jaren '30 toen er nog treinen reden over
de sporen, was Sainte-Cécile een vrij populaire uitvalsbasis voor
wandelaars. Behalve de trein was Sainte-Cécile immers ook het terminusstation
van een tramlijn die Marbehan en Florenville linkte met dit dorp. Ook die
tramlijn is inmiddels al lang verdwenen (zie volgende pagina). Nu is er
enkel nog buslijn 163a.
> Onder het viaduct
ligt een camping, Champ le Monde. Eigenlijk
bederft de aanwezigheid van de camping wat het zicht over de Semois, maar
de camping behoort na een halve eeuw zo stilaan tot het meubilair van het
plaatje. Uiteraard heb je hier een uitstekende basis voor verkenningen langs
de spoorlijn en de boeiende wandelomgeving. We overnachtten er zelf een
aantal keren. Het comfort is er nogal basic, maar het jonge stel dat de
camping nu uitbaat wil ondermeer het sanitaire blok wat upgraden. Er is
's zomers een café. Vreemd ook is dat het hier blijkbaar toegelaten
is om vuurtje te stoken met sprokkelhout. Dat resulteert 's avonds in een
hele reeks vuurtjes aan de Semoisoever, met nogal verstikkende rooklucht
als het windstil is. De attraktie om hier te kamperen is uiteraard de setting
onder het overweldigende viaduct. Vermijd de drukte in de vakantiemaanden
en de verlengde weekends in mei en juni, als er een influx is van lawaaierige
Hollanders. 's Winters kan deze camping uitzondelijk onder water lopen,
zoals in '93-'94.
Rochers
du Moulin / Tombeau du Chevalier
>
Dit is een wandelkaart van 'Touring Club de Belgique' van ongeveer 1930. Spoorlijn
163A was in vredestijd toen nog maar een goeie 10 jaren open. Ingetekend met
een doorlopende stippellijn is het spoortraject. Je ziet er ondermeer de stations
van Herbeumont en Sainte-Cécile op, evenals de ondergrondse passage
door de 1357 meter lange tunnel. De onderbroken stippellijn is van de Semois-Wandelweg
- Sentier de la Semois, ook bekend in die tijd als lang wandelpad nr 4 van
Touring Club. Dit pad was in de tweede helft van de 20ste eeuw onderdeel van
het Ardennen-Eifelpad GR AE.
> In 2009 krijgt
het na 60 jaren onderbreking weer zijn naam terug als 'Sentier de la Semois'
(GR 16). Tussen Sainte-Cécile en Herbeumont loopt het vandaag op een
detail na nog exact over hetzelfde traject dan 80 jaren eerder. De tocht langs
de Semois hier behoort dan ook tot het allermooiste op wandelgebied in België
en vormt een uitstekend alternatief om de spoortunnel te vermijden. Nog beter
is om er een rondwandeling van te maken, waarbij je tussen Sainte-Cécile
en Herbeumont spoorlijn 163A perfect kan combineren met het wandelpad langs
de Semois (ongeveer 16 km). Topogids GR 16 via
Grote
Routepaden.
Tranchée 'du Renard'
>
Voorbij het waarschuwings-bord dat de tunnel er over 1200 meter aankomt is
de bedding weer wat ingegraven. Verderop loopt de bedding dan weer verhoogd
door het bos. Het pad kan af en toe wat drassig zijn. De bedding graaft zich
weer in, je nadert de derde en langste tunnel van
spoorlijn 163A: 1357 meter lang en 9 meter breed
>
Het pad richting tunnel is zo één van die delen van de spoorlijn die bruist van leven op een zonnige lente- of zomerdag. Op de ingesneden delen dansen verscheidene libellensoorten tussen licht en schaduw boven de nattere delen van de bedding. Ook vlinders profiteren volop van dit milieu. Bonte zandoogjes, koevinkjes, witjes, maar ook meer zeldzame soorten.
> Zo fotografeerde ik, mits wat geduld, ook een keizersmantel, een vlinder die in Vlaanderen zelden voorkomt, maar in de zuidelijke Ardennen vaker wordt gespot. Eén van de de grootste dagvlinders die in België voorkomt. Een erg onrustige vlinder ook, wild heen en weer vliegend op sterk variërende hoogte. Dat hoge energieverbruik maakt de vlinder hongerig, hij is constant op zoek naar nectar in distels en leverkruid, beide aanwezig in de spoorbedding.
>
Neem je tijd als je dingen wil ontdekken. In en langs de bedding groeien ook merkwaardige planten. Spoorbeddingen algemeen zijn vaak onvervalste kruidentuinen. Ook orchideeën vind je hier, zoals de grote keverorchis. Niet zo'n zeldzame orchidee maar door zijn groene bloemen valt hij helemaal niet op. Je vindt deze orchidee op de wat nattere delen met voldoende schaduw.
> Onderweg naar de tunnel passeer je op de linkerrzijde 2 puinkegels. In de late lente / vroege zomer groeien tussen de rotsen tot 2 meter hoge stalkaarsen, makkelijk herkenbaar door de piekende, verticale, gele bloementoortsen. Dé ontdekking op de steenhellingen was echter een vetplantsoort met de leuke naam 'tripmadam'. Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat zulke schitterende gele bloementrossen als het ware zo maar uit harde rotsen kunnen komen. Dit is een eerder zeldzame plantensoort.
De
langste tunnel van België
Natuur op het spoor tussen het viaduct van Conques
en de tunnel van Sainte-Cécile (Tranchée 'du Renard')
Zuidelijke
tunneleinde
Resten bij de zuidelijke tunneluitgang van een middenspanningslijn die in de jaren '80
door de tunnel werd getrokken
Nis naar de mijnkamer
>
OK, vlak voor de ingang van de tunnel word je dus geconfronteerd met nadars
die de toegang tot de tunnel blokkeren. Sinds 10 juni 2004 is de tunnel officieel
gesloten uit veiligheidsredenen en in afwachting van restauratie. Nu ja 'restauratie'?
Het is een oude droom om de tunnel te integreren in een RAVeL-traject voor
fietsers. Maar er is gewoon geen geld voor. Ondertussen zet de natuur haar
afbraakwerk gezapig voort. Of die restauratie er ooit komt is zeer twijfelachtig,
er is alvast op middellange termijn geen geld voor.
> Er zijn wandelaars
die één van de nadars uit een betonblok hebben gelift en zo
toch door de tunnel wandelen, maar officieel mag je er dus niet door. Aangezien
we over 10 jaren gespreid hier meermaals waren hadden we volop de gelegenheid
om de tunnel te exploreren toen er nog geen versperring was.
> Links bij de ingang
zie je een elektriciteitspaal. Deze hoort tot een bovengrondse middelspanningslijn
tussen Herbeumont en Sainte-Cécile en dateert van na de spoorwegsluiting
in 1969. Bij de tunnelingang werd ze wellicht in de jaren '80 ondergronds door de spoorbedding
getrokken. In de tunnel werd daarvoor dus een sleuf gegraven en met weinig
zorg weer dicht gegooid, vandaar dat de spoorbodem over het hele tunneltraject
nogal hobly-wobly is. De elektriciteitslijn is rond 2006 weer uit gebruik
genomen, maar werd niet opnieuw uitgegraven. De bovengrondse kabels ten noorden en ten zuiden van de tunnel werden verwijderd in 2008.
> Helaas is de tunneltoegang van Sainte-Cécile aan beide zijden weer afgesloten, ditmaal met een steviger hek dat het wellicht iets langer volhoudt dan de vorige (nadar)-hekkens. Door de tunnel zelf kan je dus momenteel helaas niet meer passeren en er is geen eenvoudig en snel alternatief om de passage te omzeilen. (Foto situatie juli 2010
)
> Boven de afspanningen bij de tunnelingangen is nu ook nog eens prikkeldraad toegevoegd.
>
De afrasteringen zijn aan beide zijden opnieuw opengebroken.
>
De afrasteringen zijn aan beide zijden nog steeds opengebroken.
Mail me indien de toestand ter plaatse weer zou zijn veranderd. Het is dankzij wandelaars als jullie dat ik hier de info zo update mogelijk kan houden.
>
Situatie is onveranderd.
>
Situatie is onveranderd.
>
Binnenin de tunnel merk je tientallen nisvormige uitsparingen in de tunnelwand op regelmatige afstand van elkaar en elk zowat iets meer dan 2 meter hoog. Het zijn vluchtnissen, zoals die ook nu nog in tunnels worden gebouwd, bedoeld voor spoorwerkers.
> Vreemder zijn een dubbele reeks van 5 diepe gangnissen halverwege de tunnel. Deze vormen een 'mijnkamer'. Hiervoor volgende interessante verklaring door Victor Lansink van
Railtrash!:
Een mijnkamer dient om de tunnel in tijden van oorlog eventueel te kunnen opblazen, zodat de vijand er niets meer aan heeft. De mijnkamer bestaat in de eerste plaats uit een lage gang van ongeveer 3 meter haaks op de tunnelwand, gevolgd door een dwarsgang naar beide kanten (dus parallel aan de tunnel) en daar weer een zijnis in aan beide uiteinden, waar de explosieven in geplaatst
kunnen worden. Veel tunnels hebben een dergelijke voorziening.
> Nog volgens Victor zijn deze mijnkamers op het eerste zicht niet aanwezig in de tunnels die we eerder passeerden. Mogelijk is er ook een mijnkamer aanwezig in de Pont de la Blanche en het Semoisviaduct van Conques.
> De doorgang
door de tunnel loopt verder vrij vlot, er zijn behalve de oneffen bodem,
het steengruis, hier en daar wat druppend water en de beek die aan de zijkant stroomt,
niet echt obstructies. Af en toe passeer je nissen in de tunnelwand. Aan
het zuidelijke tunneleinde is er weer aanzienlijke waterinsijpeling. Na ongeveer
20 minuten wandelen ben je weer de donkere pijp uit.
L163A,
een ijspaleis: In de 'buik' van de tunnel van Ste-Cécile tijdens een periode
van hard vriesweer
Schermscheefbloem
Gekanaliseerde beek boven de tunnel
>
In tegenstelling tot de 2 vorige tunnels op dit spoortraject loopt de 1357
meter lange tunnel kaarsrecht. Je ziet dus bij het begin van de tunnel meteen
ook het einde, al is het lichtpuntje maar een speldenkop groot.
> De noordelijke
toegang staat wat onderwater, maar botten zijn niet echt nodig om er door
te komen. Het water stroomt zuid-noord en is voornamelijk afkomstig van diverse
insijpelingen door de tunnelwand verderop. Het tunnelgewelf is - met name
aan de zuidelijke en de noordelijke toegang - in zeer slechte staat, 100 meter
van de tunnelingangen is het een stuk beter. Dat heeft te maken met de sterkere
invloed van de
wisselende buitentemperatuur bij de ingangen. Er is echter ook nog een andere verklaring waarom de noordzijde er zo slecht aan toen is. Aan die kant zou voor het bovengewelf enkel en alleen baksteen zijn gebruikt, terwijl in het zuidelijke deel van de tunnel met baksteen en natuursteen werd gewerkt in het plafond. Waarom in het zuidelijk deel ook minder vochtgevoelige natuursteen werd gebruikt is kan je zelf verklaren: Vind ten zuiden van de tunnel een paadje dat boven de tunnel en in het Bos van Sainte-Cécile en je passeert vlak boven de zuidelijke tunnelingang een snelstromend (en speciaal voor de tunnel gakanaliseerd) beekje. Er is hier een brongebied van beekjes, waardoor het tunnelplafond hier wellicht extra bescherming nodig had.
> Ook in de tunnel van Ste-Cécile houdt
de winterse afwisseling van vriezen en dooien lelijk huis in de wand van poreuze
baksteen. Die spanning van onregelmatige uitzettingsdruk op de bakstenen veroorzaakt
een hoop afbrokkelend gesteente, op sommige plaatsen ligt een tapijt van baksteenscherven.
Komen daarbij tijdens de winter nog de massieve ijspegels aan de wand, die
onder hun gewicht neerstorten en gesteente uit de wand meesleuren. Het is
trouwens een spectaculair zicht, die enorme ijsstalactieten tijdens een harde
winter. Bij de noordelijke ingang moet je zelfs voorzichtig door een echt
bos van stalactieten slalommen. Het is echt surrealistisch: Ze hangen als
zwaarden van Damocles boven je hoofd. Uiteraard is dat niet zonder gevaar!
Opletten dus 's winters of bij vries- en dooitemperaturen.
> Het probleem met watersijpeling in de tunnel van Ste-Cécile heeft blijkbaar altijd al bestaan: Volgend interview met een spoorwerker werd opgetekend enkele tientallen jaren geleden in een boek over de spoorlijnen van Luxemburg (vertaling): "In Sainte-Cécile is er een tunnel van 1800 meter lang (opm. fout, lengte = 1357 meter), daar lag een enkelspoor, maar je kon altijd gebruik maken van de vluchtnissen om de treinen te vermijden. Nu ligt er geen spoor meer. Ik werkte er toen men er rails van 100 meter lengte aanlegde. Midden in de tunnel was een gat in het gewelf en water viel op het spoor. Op een dag 's winters passeerden we er eens met de fameuse draisine (opm. draisine=spoorwagentje voor spoorpersoneel). Op de plaats waar het gat is had ik niet meteen het ijs gezien. We hadden immers geen lampen. Ik reed met lantaarns. Die dienden eerder om gezien te worden in plaats van te zien. Ik stond voor een blok ijs van wel een meter hoogte. Ik heb de remmen dicht gegooid en ben uitgestapt. 'Wat gaan we doen?', 'We kunnen hier niet passeren, we moeten een andere keer terugkomen.''Ja, maar hoe lossen we dat probleem op?' Ik heb toen voorgesteld dat men hout zou verzamelen en stockeren bij de tunnelingangen, 's zomers als de bomen en struiken op de taluds worden gesnoeid. Als het dan 's winters begon te vriezen maakte men vuur. Sindsdien heeft men dat altijd toegepast. Door de rook vroor het niet in de tunnel. Als je als wandelaar door de tunnel passeert kan je dat gat nog altijd zien. Er is ook een aquaduct, die door de hele tunnel loopt. "
>
Aangezien het in een 1357 meter lange tunnel toch donker is bracht ik deze
keer eens een nachtelijk winters bezoek. In de tunnel hingen enorme ijspegels
met een lengte variërend in grootte van 50 cm tot 3 meter! Het was een
dag geweest met een groot temperatuurverschil tussen dag en nacht (+7 en -6).
Het gevolg daarvan was dat sommige ijskegels afbraken en op de tunnelvloer
kletterden...een behoorlijk beangstigend gedruis, versterkt door de geluidsweerkaatsing
in de tunnel. Die enorme pegels hangen aan het plafond als scherpe dolken
en kunnen dus zo op je neerstorten. Het was te riskant om lang rond te hangen
hier. Te gevaarlijk. Het is een perfecte plek voor een horrorfilm maar niet
echt om live mee te maken... Scary...
Zomerse
passage door de tunnel (noordelijke zijde) in 1998 per fiets, lang voor ze
werd afgesloten
Nachtelijk
bezoek
>
Aan de andere kant van de tunnel is duidelijk merkbaar dat de spoorlijnbedding
zacht klimt. Pas nu verlaten we de vallei van de Semois. Het struikgewas kan
's zomers vrij dicht gegroeid staan. De aanvankelijk wat ingegraven bedding
wordt al vrij snel een talud. Die helling is opgebouwd met het steenpuin dat
vrij kwam bij de uitgraving van de tunnel van Ste-Cécile. 1300 meter na de tunnel
kruist spoorlijn 163A superieur de Rue du Hémeau.
Op
deze oude foto boven, genomen door fotograaf Louis Lenzen rond 1909 is mooi
de prille opbouw van de spoorbrug van Hémeau te zien. Nadien werd een
enorme talud over de brug gelegd waarover de spoorlijn superieur liep (nog een stuk hoger dan de roze stippellijn die we er bij
tekenden). Hieronder de brug precies 100 jaar later. Het huis rechts overleefde wonderlijk genoeg de ingrijpende werken.
Opgehoogde
spoorbedding tussen de tunnel van Ste-Cécile en Ste-Cécile
Rue du Hémeau, superieure spoorbedding
>
350 meter na de passage over de brug van Hémeau komt er een wat abrupt
einde aan de doorgang over de spoorbedding. Verderop is de bedding over zowat
200 meter verwilderd met stekelig struikgewas. Bij een verkeersbord dat wandelaars
in de tegengestelde richting waarschuwt voor de tunnel - die ondertussen 1600
meter achter ons ligt - ga je dus rechts de spoortalud af. Dadelijk links
dan om over het erf van een boerderij parallel tot de Rue
de Muno te wandelen. Wandel daar links en onder de spoorbrug van lijn
163A.
> Wel hier zijn ze
dan, de enige overblijvende dwarsliggers op het ganse traject van spoorlijn
163A in België. Een stuk of 10 spoorbiels liggen er, ze rusten op een
stalen constructie over de Rue de Muno.
Artikeltje
uit de krant l'Avenir van 1 mei 1914. Groot feest in Sainte-Cécile.
14 jaren na de eerste spadesteek was de spoorlijn hier eindelijk afgewerkt.
De laatste (Italiaanse) arbeiders werden uitgewuifd met ondermeer vuurwerk
en artillerieschoten. De tunnel van Ste-Cécile werd speciaal voor de gelegenheid
verlicht! De inwoners van Sainte-Cécile wisten op dat moment nog niet
welk onheil er 3 maanden later aankwam. In augustus 1914 vielen de Duitsers
België binnen. Ze namen de gloednieuwe spoorlijn 163A in gebruik (of
misbruik).
Ter
hoogte van de kerk van Sainte-Cécile
wordt spoor 163A erg overgroeid
>
Het zal je wel opvallen dat dit soort brug wat atypisch is voor lijn 163A.
Bij de aftocht van de Duitse soldaten in 1944 richtten de verliezers nogal
wat schade aan. Behalve het viaduct van Morépire moest er ook in Sainte-Cécile
een brug aan geloven. Dit is ze. Bij de herstellingen eind jaren '40 kwam
deze noodconstructie in de plaats. Vreemd genoeg is ze tientallen jaren na
de sluiting ontsnapt aan bulldozergeweld en ligt de eerder karakterloze constructie
er nog steeds. Dat kan helaas niet worden gezegd van de (verdwenen) brug die
we zo dadelijk zullen passeren. Halte buslijn 163a Bertrix - Muno.
Sainte-Cécile
20ste
brug: Over de Rue de Muno te Sainte-Cécile
Verdwenen
brug over de Rue de Bouillon
treinwagons
zouden uitspuwen, hier vertrok immers ook de tramlijn naar Florenville. De internationale spoorverbinding tijdens vredestijd kwam
er echter nooit.
>
Onder de spoorbrug van de Rue de Muno dus (rustbank) en dadelijk rechts in de Rue
de la Gare. We moeten hier nog even parallel met de spoorlijn verder
wandelen want ook hier is de bedding overgroeid. Je komt bij de snelle weg
Bouillon - Florenville (N83 of Rue de Bouillon). De spoorbrug
is hier al lang verdwenen, ten voordele van wegverbreding. Dit is de
tweede brug die verdwenen is sinds we in Orgeo vertrokken.
> Wandel rechtdoor,
nog steeds Rue de la Gare. De weg klimt wat om aansluiting te zoeken met de
spoorbedding. Links passeer je een groot huis, het voormalige treinstation?
Toch niet. Vroeger was dit het Hotel de Lorraine, ongetwijfeld gebouwd hier
met het oog op talrijke bezoekers uit Frans Lotharingen die de
>
Spoorlijn 163a blijft haast ongemerkt dalen naar de vallei van de Semois.
300 meter na de brug over de Rue de Bravy bereiken we het indrukwekkende viaduct
van Conques.
>
Tot slot nog volgend leuk weetje. Nogal wat rotsen in dit deel van de Ardennen
hebben de naam 'Rocher du Corbeau' of 'Roche aux Corbeaux', wat zoveel betekent
als 'Ravenrots' of 'Rotsen van de Raven'. We passeerden in de buurt van de
tunnel van Linglé zo'n rotspartij. Raven voelden zich in deze beboste
regio thuis en nesten bij voorkeur op de uitstekende rotsen bij de randen
van het woud. Eind 19de eeuw is de raaf echter zowat volledig uitgestorven
in de streek. Met veel geduld en op initiatief van Jacques Delvaux werd in
de jaren '70 van vorige eeuw de raaf opnieuw geïntroduceerd. Een 50-tal
vogels werden hier vrijgelaten. Jonge raven doen er een drietal jaren over
vooraleer ze de eerste maal hun nest maken en eieren leggen. De bekroning
van dat project kwam er in 1979, toen een allereerste nestende koppel werd
ontdekt... op het verlaten viaduct van Conques!

>
We zijn aangekomen op de site van het voormalige treinstation
van Sainte-Cécile en 19 km ver sinds Orgeo. Ook hier is alle
spoorinfrastructuur afgebroken. Niks is overeind gebleven, de wind heeft er
vrij spel. Vanaf hier ook is spoorlijn 163A ingericht als RAVeL, maar de rest
van het verhaal lees je op de volgende pagina!
Zelfde
brug, foto genomen rond 1909 (foto Nels)
Zuidelijke
tunneleinde, kant Sainte-Cécile dus, bij de bouw rond 1907 (ingekleurde
foto Duparque)
Viaduct
in 1998 voor de afbraak van de borstwering
(ingezonden foto Sander Vancanneyt)
Conques