>
Als je na de tunnel van de Saint-Médard de geasfalteerde Rue
du Babinay (N824) hebt bereikt zou je verwachten hier over of onder
een brug te lopen. Spoorlijn 163A had immers over het hele Belgische traject
geen enkele overweg! Geen brug te zien echter. Hoe kruiste het spoor dan deze
weg en hoe wandel je verder over de spoorweg? Na wat onderzoek is de situatie
duidelijk geworden, zie de luchtfoto en de verklaring hieronder.
3.
Van Saint-Médard naar Pont de La Blanche (1,7 km).
> Aan de N824
wandel je dus even rechts om na 30 meter dadelijk scherp links een onverhard
pad te nemen. Hou steeds de N824 links van je.
> Hier wandel je
even niet op de eigenlijke spoorbedding, deze ligt ingegraven links tussen
de N824 en het pad waar je over loopt. Amper 300 meter verder draai je links
om dadelijk rechts verder te wandelen over het oude spoor. Het pad loopt
nu door stroken met nogal dicht bos. Hoewel je over een onverhard pad wandelt,
is het hele traject tot voorbij Herbeumont ook makkelijk te fietsen.


> Deze wandeling
van 6,9 volgt getrouw spoorlijn 163A tot Herbeumont en valt dus samen met
onze spoortracking in dezelfde richting.
> Dit recreatieve
pad voor wandelaars, ruiters en fietsers 'La voie des pierres qui parlent'
is een concreet resultaat van een breder project onder de naam 'Au fil de
la Pierre'. Sinds 2003 werken de gemeentelijke overheden van Bertrix, Herbeumont,
Libin en Saint-Hubert in een cel die financieel wordt ondersteund door het
Europese fonds voor plattelandsontwikkeling Leader+ en de Waalse overheid.
Er werd ook samengewerkt en vergaderd met de toeristische diensten van de
regio en met privé-partners waaronder de eigenaars van de leisteengroeve
van Herbeumont en de museummijn 'Au coeur de l'Ardoise' (zie lager). Stevige
rugwind kreeg dit initiatief ook van Valbois RN, een vereniging die het
gebruik van natuurlijke materialen promoot , met name hout en natuursteen.
> 'La Voie des
pierres qui parlent' werd uitgewerkt in 2005. Het pad wil de wandelaar kennis
laten maken met de boeiende geschiedenis van de leisteenontginning in de
vallei van de Aise. Spoorlijn 163A vomt hiervoor de rode draad. Langs het
traject tussen het voormalige station van Orgeo-Ardoisières
en dat van Herbeumont werden 8 'menhirs' geplaatst, enorme monolietblokken
van schist, waarop infoborden werden geplaatst die in het kort geschiedenis,
natuur, geologie en mijnontginning langs spoorlijn 163A verklaren. Die schistblokken
werden geleverd door, hoe kan het anders, de Ardoisières d'Herbeumont.
De omgeving rond de tunnel van Linglé werd beter toegankelijk gemaakt
(de zuidelijke tunneltoegang was nogal dicht gegroeid) en er werden enkele
picknickbanken geplaatst, waarvan één eveneens in schist en
gelegen bij het vertrek in Orgeo-Ardoisières. Behalve het
spoorlijntraject wordt de recreant ook uitgenodigd om kennis te maken met
een paar dorpen van Bertrix waar natuursteen nog nadrukkelijk aanwezig is
in de architectuur van oude woningen: Cugnon en Mortehan, gelegen op 1 km
van spoorlijn.
> Op 21 september
2006 werd 'La voie des pierres quie parlent' officieel ingewandeld, waarbij
de burgemeesters van Bertrix en Herbeumont de eerste en de laatste schiststeen
langs het traject onthulden. De kosten van dit project beliepen 67.000 €,
inclusief 25.000 € aan uitrusting en 2.340 € voor promotie. Zo
hard als leisteen is, zo zacht werd de uitvoering van dit project aangepakt:
Met respect voor de omgeving werd gekozen om hier geen asfalt te storten
op de oude bedding, je wandelt over een vrij natuurlijk verharde bodem,
niet over beton of asfalt. Aldus is 'het spoor van de sprekende stenen'
een toonvoorbeeld van een mooi uitgewerkt recreatief project. Meer info:
La voie des
pierres qui parlent.

>
Ter hoogte van de oude stationssite van Orgeo-Ardoisières kan je naar
links even tot de N824 wandelen. Links op die weg liggen nog vervallen gebouwen
van de oude mijnexploitatie van Babinay evenals een paar gerenoveerde huisjes
waarvan zowel dak als gevels met leischalie zijn bedekt. Hier ook is en halte
van bus 163a (halte 'ardoisière'). Aan de overkant van de weg ligt
een recent opnieuw in gebruik genomen leisteenmijn. De enige werkende mijn
in de vallei van de Aise, de exploitatie is bovengronds en toegespitst op
siersteen. (Zie tekstvak hieronder)
Spoorbedding
richting Pont de La Blanche
Vervallen
mijngebouwen van 'La Grande Babinay'
Station
Saint-Médard, niet langs spoor 163A, maar langs 165. (Foto Duparque)
Orgeo-Ardoisières,
oude laadkaai
De spoorlijn loopt boven de kleine Pont du Bannetai.
Scailton
te Babinay (foto Nels)
Babinay:
Infobord langs de N824 maakt toeristen attent op het nabijgelegen startpunt
van het 6,9 km lange spoorpad 'La voie des pierres qui parlent'
Ardoisières
d'Herbeumont
>
Een bezoek aan de ondergrondse steengroeve ‘au coeur de l’ardoise’
(‘het hart van de leisteen’), op amper 100 meter van spoorlijn
163A is absoluut de moeite waard. Groepen kunnen er een gegidst bezoek krijgen,
maar ook als solobezoeker kan je probleemloos op eigen houtje afdalen in de
leisteenmijn voor een ondergrondse rondwandeling. Je kan dan eventueel gebruik
maken van het zelfgidsend audiosysteem (in verschillende talen) langs een
verlicht parcours. Helmen zijn voorzien, kleed je wel op temperaturen die
constant rond 10° schommelen. Bezoek duurt ongeveer een uur, daarbij daal
je over een metalen trap naar
> Spoorlijn 163A
bereikt aan de andere kant van de tunnel van St-Médard de vallei
van de Aise. De volgende kilometers trekken we via het spoor door een bebost
gebied waar het ooit overal onder- en bovengronds gonsde van de mijnbouw.
> De smalle spoorbedding
gaat over in een breder pad en bereikt een open ruimte. Amper te herkennen
maar hier lag het treinstation Orgeo-Ardoisières. Enkel een oude
kaaimuur en een gekasseide toegangsweg herinneren nog aan de glorietijd
toen hier de afgewerkte leisteenprodukten uit de nabijgelegen groeven wachtten
om in een cargowagon te worden geladen. Van een stationnetje ten behoeve
van de pendelende arbeiders is geen spoor meer.
> 150 meter verder
loop je over het spoorbrugje 'Pont du Bannetai', waarvan de originele gietijzeren reling nog is
bewaard. Onder de brug loopt een boswegje, waarlangs je in juli de balancerende
knalgele kelkjes van groot springzaad ziet.
>
We zijn hier midden in het oude gebied van leisteenontginning terecht gekomen,
de vallei van de Aise stond in het begin van de 20ste eeuw bekend als 'de
vallei van de leisteengroeven'
>
Verder over spoorlijn 163A, het begin van een biezonder aangenaam wandelstuk.
Je volgt maar de 8 'menhirs' van 'la voie des pierres qui parlent'. Over de
vrij brede bedding wandel je 400 meter verder tot de tweede 'menhir', geplaatst
bij de Pont de La Blanche. We zijn gearriveerd bij de eerste van 3 viaducten
op het spoortraject. Vind bij het einde van dit eerste viaduct op spoorlijn
163A aan je linkerzijde een paadje waarover je kan afdalen naar het niveau
van de asfaltweg N884. Busstop bus 163a.
> Het loont de moeite
om hier alweer de spoorlijn te verlaten, niet enkel om het viaduct langs onder
te zien, maar vlakbij ligt ook het mijnmuseum van Morépire 'Au coeur
de l'ardoise'.
>
Update mei 2011. Het is niet meer mogelijk om gebruik te maken van ringen en beschermingslatten die aan het de Pont de La Blanche waren bevestigd om te rapellen. Deze zijn weggenomen of doorbroken. Update maart 2012: Er zijn opnieuw rappelringen.
Ardoisières
d’Herbeumont
>
Het viaduct van Morépire wordt in de volksmond de Pont de La Blanche
genoemd. 'La Blanche' verwijst hier niet naar een beek of riviertje dat door
dit viaduct wordt overbrugd. 'La Blanche' was de naam of bijnaam van een vrouw
die op de plaats waar het viaduct nu ligt een cafeetje had. De scailtons uit
de leisteengroeven gingen na een zware werkdag onder de grond het mijnstof
'wegspoelen' bij La Blanche. Dat café bestaat al lang niet meer, het
verdween mogelijk al bij de aanleg van het viaduct in 1909.
Domaine
de La Morépire – Au Coeur de l’Ardoise
>
Hiermee zijn we dus letterlijk in het hart van de leisteenvallei beland. Op
de volgende pagina sporen we weer verder, 6 kilometer is het tot Herbeumont,
een traject over 8 bruggen en door 1 tunnel en vooral door een prachtige natuur.
Lees verder....
De
vallei van de leisteengroeven
Pont de La Blanche (Viaduct van Morépire)
>
We pikken de draad weer op bij het gedeeltelijk gekasseide stationsterrein
van Orgeo-Ardoisières. De grote oppervlakte van het station
van Orgeo-Ardoisières had natuurlijk alles te maken met opslagruimte
voor de afgewerkte leisteenprodukten. Tegenwoordig wordt het terrein enkel
nog gebruikt als verzamelplaats voor gekapte bomen uit de omliggende bossen.
Ter hoogte van de kasseiweg staat sinds 2006 een picknickbank in schist en
vlakbij staat een eerste monolietrots met infobord over 'het spoor van de
sprekende stenen':
een diepte van -25 meter. Een ondergrondse wandeling door de voor bezoekers
wat aangepaste mijngalerijen geeft een goed beeld van de zware werkcondities
waarin de ‘scailtons’ (leisteenarbeiders) werkten ondergonds.
Voorafgaand aan je bezoek kan je een video bekijken van 22 minuten, een uitstekende
introductie.
> In de naam 'Morepire'
herken je 'maure' (zwart) en 'pierre' (steen), uiteraard verwijzend naar schiststeen.
De mijn van Morépire ging in 1889 in ontginning. Er werd op 3 niveaus
ontgonnen: -25, -45 en -60 meter. Herstructurering en

>
Het viaduct overspant een vallei waaronder de beek Aise stroomt, op een plaats
waar haar loop, die uit noordelijk richting komt, een bocht van 90° maakt
naar het westen. Hier ook komen van oudsher twee wegen samen: In westelijke
en noordelijke richting de N884 (Herbeumont - Bertrix), in oostelijke richting
de N824 Pont de la Blanche - Saint-Médard. Dat kruispunt ligt er nog
steeds maar de brug waar de treinstellen van spoorlijn 163A over rolden is
niet de originele.
> Een eerste viaduct,
grotendeels in baksteen opgetrokken en met 7 boogoverspanningen werd gebouwd
in 1909. In 1944 werd dit viaduct gedeeltelijk vernield door de Nazi's op
aftocht. Hierdoor was er uiteraard niet langer treinverkeer mogelijk. Het
zou de doodsteek van spoorlijn 163A hebben betekend, was het niet dat in die
tijd Eerste Minister van België Hubert Pierlot was, eigenaar van de leisteengroeven
vlakbij de Pont de La Blanche. De huidige brug telt acht bogen, ééntje
meer dus dan de originele. Ze werd gebouwd vanaf 1946, waarna het treinverkeer
in 1949 tot Muno weer kon worden hernomen. Zie ook bij de
geschiedenis
van spoorlijn 163A.
>
De ontsluiting van de leisteengroeven is dé reden waarom de loop van
spoorlijn 163A in zo'n grote bocht door het landschap worstelt. De oude spoorbedding
vormt vandaag een biezonder aangenaam wandeltraject vol sporen en herinneringen
aan die oude leisteengroeven.
Groot
springzaad (Impatiens noli-tangere)
Foto
genomen rond 1905, kort voor de aanleg van het zevenbogige spoorviaduct. De
brug hebben we uiteraard zelf gesimuleerd. De gebouwen links op de foto verdwenen
bij de aanleg van het viaduct. Was daar het caféetje van La Blanche
gevestigd? De brug was symmetrisch opgebouwd met gelijke bogen links en rechts
van de hoofdboog die niet boven de weg liep, maar boven de Aisebeek. Het spoortje
helemaal op de voorgrond was wellicht een lokale werklijn van de leisteengroeve
Morépire. Rechts een beektunneltje van de Aise. De weg noordelijk en
onder de (toekomstige) brug lopend is de N884 richting Bertrix. Dit wegenkruispunt
is vandaag eigenlijk nog hetzelfde. (originele foto Nels)
In
april-mei bloeit brem langs spoor 163A
Scailtons
poserend bij het eindwerk van hun harde arbeid: Schalie (foto Nels)
Picknickbank
in schist
Huis
bedekt met leischalie ter hoogte van de oude mijn van La Grande Babinay
> De geschiedenis van leisteenontginning
in de vallei van de Aise gaat terug tot minstens de 13de eeuw. Het waren in
die tijd vooral abdijen die als machtscentra aktief land- en mijnbouw organiseerden.
Zo hadden hier in de loop der eeuwen zowel de abdijen van Orval als die van
Saint-Hubert hun eigen mijnontginning. Het grootste aantal steengroeven werd
echter gewoon gemeenschappelijk geëxploiteerd door de lokale bevolking
van de streek, waardoor uit eerste hand kon worden voorzien in bouwmateriaal
voor woningen en stallen. Van commerciële uitbating was er in die tijd
niet echt sprake. Er werd vooral bovengronds uitgegraven of op beperkte diepte
en de ontginning was eerder kleinschalig.
Handenschuddende
burgemeesters van Herbeumont (links) en Bertrix (rechts) bij de opening van
'La voie des pierres quie parlent' op 21 september 2006. (Foto
Réseau
GAL)
Oude
spoorbedding lijn 163A,
nu 'voie des pierres qui parlent'.
Foto
genomen in juli 1909. Het viaduct van Maurépire is in de eindfase van
de bouw. Meer foto's van de bouw kan je zien op de pagina over de geschiedenis
van de spoorlijn. (foto Lenzen)
> Eind 17de eeuw
ontstaat leisteenwinning op grotere schaal op een uitgerekte site met verscheidene
putten die als 'Les Anciennes Carrières' bekend staat (gelegen in
de domeinbossen van Herbeumont). Midden 18de eeuw bereikt men hier zelfs
een jaarlijkse produktie boven 5 miljoen schaliën.
> Pas in de 19de
eeuw, tijdens de opkomst van het industriële tijdperk, nam de mijnontginning
vooral ondergronds een 'hoge vlucht'. Tijdens het tweede deel van de 19de
eeuw waren hier in de mijnen tussen Bertrix en Herbeumont meer dan 500 arbeiders
('scailtons') tewerkgesteld, resulterend in een output van zowat 20 miljoen
bruikbare stenen per jaar. Het was zwaar werk, erg belastend voor rug (stenen
van wel 50 kilo werden door de scailtons uit de ontginningszalen op de rug
gedragen) en longen (mijnstof).
> Rond 1900 bereiken
de aktiviteiten rond mijnontginning hier een hoogtepunt, wat ook de vraag
vanwege de lokale industriëlen veklaart in die periode om het gebied
te ontsluiten door het modetransportmiddel van die tijd, de trein. Spoorlijn
163A wordt hier rond 1906 doorgetrokken.
> Na de Eerste
Wereldoorlog sluit de éne mijn na de andere. Andere bouwmaterialen
komen in de mode en verbeterd wegtransport zet de markt open voor sterkere
internationale concurrentie. Met name de toevoer van goedkope Spaanse leien
is
dodelijk voor het overleven van de mijnen in de vallei van de Aise. In
1977 sluit de leisteenmijn van Morépire als laatste de ondergrondse
galerijen.
> Sinds eind jaren
’70 was alle mijnaktiviteit tussen Bertrix en Herbeumont gestaakt. De
mijn ‘La Grande Babinay’ sloot al in 1957. In België werd
eind jaren '90 nog enkel leisteen ontgonnen in de ondergrondse mijn van Warmifontaine
(gelegen tussen Saint-Médard en Neufchâteau).
> In 1998 erft Benoit
Pierlot (afstammeling van de Pierlot-familie die al sinds de 19de eeuw nauw
bij leisteenontginning is betrokken) ‘La Grande Babinay’ van zijn
overleden vader. Tesamen met ingenieur Michel Bouvy onderzoekt hij de mogelijkheden
om de mijn opnieuw te openen. Ondergrondse exploitatie, zoals tussen 1876
en 1957, lijkt geen optie, omwille van de hoge kosten. De ontginning wordt
helemaal anders aangepakt. Waar vroeger de hardste steen werd gegraven op
een diepte tot -100 meter en de produktie bijna volledig op schalie voor dakbedekking
was gericht wordt nu de kwaliteit van de oppervlaktelaag onderzocht. Deze
minder harde steen levert maar een 3 % bruikbare steen van hoge kwaliteit
op, bruikbaar voor schaliën. Veel te weinig.
> De 2 ondernemers
besluiten zich te focussen op de produktie van siersteen voor diverse toepassingen,
zowel binnenshuis als buitenshuis. Vanaf 1999 wordt de huidige site helemaal
klaargemaakt om tot ontginning over te gaan. Oude steenterrils worden weggegraven
om bij de lagen te raken, materiaal wordt aangevoerd uit de gesloten mijn
van Martelange-Rombach. Vanaf 2005 draait de nieuwe ardoisière d’Herbeumont
op volle capaciteit. Jaarlijks wordt er nu zo’n 15.000 m3 verkoopbare
steen geproduceerd. Een tiental arbeiders verrichten ter plaatse arbeid die
vooral machinaal wordt uitgevoerd. De tijd dat mens en paard hier met zware
leisteenblokken sleurden behoort definitief tot de geschiedenis.
> Les ardoisières d'Herbeumont staat nog steeds
onder de leiding van de tandem Pierlot - Bouvy waarbij Pierlot vooral de commerciële
en administratieve taak op zich neemt terwijl Bouvy als deskundige in explosieven
de man is op het terrein. Ter plaatse wordt de ontgonnen steen dadelijk gesorteerd
met het oog op het bedoelde eindprodukt. Er wordt erg klantgericht gewerkt,
met produkten die variëren van grote monolietblokken tot dunne leischalie,
waarbij de steen gezaagd of gespleten wordt. De produktie van leischaliën
voor daken, waarop de oude mijnontginning hier volledig was gericht, is zeer
beperkt in de open mijnontginning van vandaag. Door die diversicatie en zorgvuldige
sortering kan tot 80 % van de ontgonnen steen worden verkocht in allerlei
vormen: Plaveien, muurdecoratie tot zelfs grafstenen.
> Pyriet (zwavelijzer)
kleurt de schiste van Herbeumont wat bruin-goudkleurig. De aanwezigheid van
pyriet in gesteente wordt door groeve-exploitanten meestal niet geapprecieerd
maar voor de leisteen van Herbeumont betekent het eerder een toegevoegde waarde.
Die verkleuring geeft aan de leisteen immers een rustiek en warmer karakter,
gegeerd voor siersteen. Om de leisteen van Herbeumont bekend te maken voerde
Benoit Pierlot een aktief promotiebeleid: Ondermeer deelname aan beurzen en
directe mailing naar landschaps- en binnenhuisarchitecten hebben Herbeumont
als centrum van de leisteen weer op de kaart gezet tot buiten de landsgrenzen.
> De leisteengroeve
van Herbeumont is de enige plaats in België waar nog leisteen in openlucht
wordt ontgonnen, dat dankzij een gedurfde en doordachte aanpak.
Ardoisières
d'Herbeumont.

Afgewerkte
Pont de La Blanche in 1912, wachtend op de openstelling van spoorlijn 163A
in 1914. (foto Lenzen)
Pont
de La Blanche rond 1950 - nieuwe brug (foto Préaux)
La voie des pierres qui parlent
Het spoor van de sprekende stenen
>
Leisteen vindt zijn oorsprong in afgezette kleilagen tijdens het primaire
tijdvak (zo'n 300 miljoen jaren geleden). Afzettingen van nieuwe lagen sedimentair
gesteente veroorzaakten druk op deze oude kleilagen, waardoor het water er
werd uitgeperst en verharding ontstond. Verschuiving van tektonische platen
gaf het ontstane gesteente zijn 'fijngelaagde structuur', de mogelijkheid
biedend om deze steen vlot te splitsen in bijna bladerdunne lagen.
> Een goede laag
bevat leisteen met een effen breukpatroon, splijt vlot, breekt niet bij doorboring
en moet waterdicht zijn. Die ondoorlaatbaarheid van water en de dunne splijtmogelijkheid
verklaren het succes van leisteen voor dakschalie.
> De beste lagen
liggen vaak wat dieper, waar verstoring door ander gesteente beperkter was.
Pont
de La Blanche in 2006 in een winters landschap
Mijngalerij
in La Morépire: Leisteen is in feite
300 miljoen jaar oude (versteende) kleimodder.
Op
de plaats waar je de N824 bereikt na de passage door de tunnel van Saint-Médard
lag vroeger een spoorbrug (blauw). De N824 (blauw) kruiste hier de spoorlijn
boven de bedding. Na het opbreken van spoorlijn 163A in 1972 werd de brug
afgebroken om een scherpe dubbele bocht uit de N824 te werken. Daarbij werd
ter hoogte van die afgebroken brug ook de spoorbedding dichtgegooid. Door
verbreding van de weg blijft van de spoorbedding oostelijk nog enkel een overgroeide
geul over, amper herkenbaar als spoorbedding. Om te vervolgen over de spoorweg
moeten we even rechts - links uitwijken om dan over 300 meter een parallelwegje
te nemen.
(Met dank aan Dorylus van hiking-info.net voor het uitklaren van dit mysterie
via een oude stafkaart uit 1968.)
Scailtons
in de mijnen van de Aisevallei aan het werk: Grote blokken worden in dikke
schollen uit de leisteenlagen gehaald om dan op de rug uit de mijnschacht
te worden gedragen voor verdere bewerking. (foto Nels)
samenwerking
met de mijnen van Martelange (langs het Ardennen-Eifelpad) en Warmifontaine
in de jaren ’70 van vorige eeuw konden niet verhelpen dat uiteindelijk
op 19 augustus 1977 alle leisteenontginning definitief stopte. Bijna 20 jaren
later, op 5 april 1997 ging de mijn van Morépire opnieuw open, ditmaal
enkel voor toeristische en educatieve doeleinden.
> De heropenstelling
en toeristische uitbating van de oude leisteenmijn is er gekomen dankzij de
bewonderenswaardige gedrevenheid van Yves Crul en zijn medewerkers. Het is
niet evident om een mijn die jarenlang gesloten was te heropenen en de oude
galerijen op een veilige en aantrekkelijke manier toegankelijk te maken voor
toeristische bezoeken. Ondanks tegenslagen, zoals problemen met de dure kabellift
en beperkte financiële slagkracht, slaagt Yves Crul er al 10 jaar in
om bezoekers te laten kennismaken met de oude mijnontginning. Ontwikkeling
van creatieve nevenaktiviteiten en zorgvuldige kostenafweging houdt het project
boven water. Zo kan je bvb met een groep gastronomisch dineren met streekprodukten
in het unieke kader van een ondergrondse leisteenzaal. Er werd ook in zee
gegaan met een outdoororganisatie (deathride, rapellen,...). Voor schoolgroepen
zijn er interactieve aktiviteiten en er worden themadagen georganiseerd. Ter
plaatse kan je er een snack verkrijgen of een drankje nuttigen.
>
Meer info over openingsuren en aktiviteiten op
de
website van ‘au coeur de l’ardoise’. Yves Crul is ook
een ‘goudmijn’ voor al je vragen over de regionale geschiedenis.
Wat Yves en zijn groep van vrijwillige medewerkers hier met vallen en opstaan
en vooral veel doorzetting hebben gerealiseerd is bewonderenswaardig. Dankzij
hun harde werk kan je ook in de 21ste eeuw kennis maken met de vervlogen tijd
toen in de vallei van de Aise tussen Bertrix en Herbeumont massaal ‘zwart
goud’ in de vorm van leisteen werd opgedolven. Niet te missen.
La
Morépire rond 1910, mijnateliers. Rechts de huidige N884. (foto Nels)
>
Verborgen links in de bossen langs de N824 op 100 meter richting Herbeumont
liggen nog ruïnes en vijvers die tot de leisteenontginning van Petite
Babinay hoorden.
Saint-Médard,
Babinay rond 1900
>
Groot springzaad groeit tot 1 meter hoog en houdt van een vochtige, schaduwrijke
bosomgeving. Als de gele kelkjes verwelken vormen ze zaaddozen die bij rijpheid
openspringen en zo hun zaad metersver verspreiden, vandaar de naam. De Latijnse
naam 'Impatiens noli-tangere' vat het leuker samen: 'Noli-tangere' betekent
'roer-me-niet' (...of ik spring open...).