> Verder door de Rue Faubourg de Binche tot bijna het laagste punt. Rechts daar en wat verder op een driesprong naar links en via een lange tunnel de E19-E42 onderdoor. Aan de andere zijde van de tunnel is een rustbank. Rechtdoor over deze asfaltweg, die we nu een hele tijd zullen volgen. We stijgen wat, terwijl links de megalomane constructie van de nieuwe scheepslift op het Centrumkanaal in zicht komt. Verderop heb je een prachtig uitzicht over dit merkwaardig project.
> Een stuk verder tijdens de afdaling op een V-splitsing links aanhouden. Zo lopen we al verder dalend langs de sociale woonwijk Résidence Sorgeon van Thieu. Onderweg zijwegen negeren tot de Rue du Château St Pierre is gedaald
tot een T-splitsing. Naar rechts de Rue de la Paix in. Op een driesprong even rechtdoor en bij de kerk links gaan voor het kerkgebouw. Verder dalen naar het nieuwe Centrumkanaal waar we een brug overlopen. Dadelijk komen we langs één van de oude scheepsliften op het Centrumkanaal.
> Verder over de Chemin de Saint-Feuillien. Ecaussinnes-Lalaing ligt net achter ons. Over een ingesneden asfaltweg dalen we naar het gehucht Mâlon-Fontaine. Bij de beek rechts. Hier was een camping volgens de gids maar die lijkt inmiddels opgeheven.
> Onder een spoorviaduct met 9 bogen, van de lijn 's Gravenbrakel - La Louvière. Hier de beek kruisen over hetzelfde asfaltwegje. Rue Delcourt rechts laten liggen en vervolgen door de beekvallei. Nogmaals de beek over bij een waterval en bij een T-kruispunt links.
> We passeren langs de grote hoeve Delcourt (ooit eigendom geweest van de opgeheven abdij van Saint-Feuillien te Le Rœulx). Verder rechtdoor. We zijn eindelijk weer op een veldweg, die volgen we een hele tijd rechtdoor.
> Links de macadamweg op. Het is een 23° maar wel warm wandelen met de zon in het gezicht, aangezien ik vooral in zuidwestelijke richting wandel. Er wordt nogal snel gereden op deze weg, maar na zowat 400 meter kunnen we bij een oorlogsmonument en kerkhof (rustbank) rechts afslaan, Rue Polart. 250 meter verder eerste weg links en kort daarna rechts meedraaien met die weg. Bij een mooie witgekalkte vierkantshoeve, Ferme de Soumiaux, links de beek over en een wegje nemen links langs deze hoeve.
> We zijn nu zowat halfweg de Chemin de Saint-Feuillien tussen Nijvel en Waudrez. De met steenslag verharde weg loopt naar een volgende hoeve, Ferme de Chapelle. Deze hoeve ziet er iets te steriel uit om nog als een aktief bedrijf te functioneren.
Le Rœulx
> De rare naam van dit stadje is een verbastering van het oud-germaanse woord voor een 'gerooid gebied'. Le Rœulx ontstond dus op een gerooid stuk land. Eenzelfde oorsprong dus dan die van Vlaamse dorpen met 'Rode' in de naam. De inwoners van Le Rœulx zijn trouwens 'Rhodiens'.
> In de voorstellingspagina hadden we het al over het grote woud dat de streek hier bedekte. 'Onze' Folianus liep er zelfs verloren, een dwaling die een onfortuinlijke afloop kende. De kleine nederzetting die er al veel langer was, groeide in belang nadat in de 12de eeuw de abdij van Sint-Feuillien werd opgericht. Traditioneel waren de monniken sterk betrokken bij de ontginning van nieuw land. De Henegouwse graven bouwden Le Rœulx verder uit tot een omwalde versterkte nederzetting. Het overgrote deel van die versterking werd afgebroken eind 18de eeuw, bij het einde van het 'ancien régime'. Enkel wat torenresten en fundamenten zijn nog waar te nemen in de omgeving van het kasteel.
Sint-Jacobshospitaal
> Ridder Boudewijn, baljuw over Le Rœulx, zou het hospitaal gesticht hebben in 1203, voor hij op kruistocht vertrok. Niet ongebruikelijk in die tijd om vooraleer je op kruistocht vertrok als edelman, een deel van je bezittingen te schenken voor een goed doel. Het hospitaal was bedoeld om passerende pelgrims en reizigers onderdak en verzorging te bieden maar ook om lokale zieken en behoeftigen te verzorgen. Le Rœulx was in die tijd een versterkt stadje en
wellicht passeerden er dus ook wel pelgrims die naar Sint-Jacob-van-Compostela onderweg waren.
> De abdij van Saint-Feuillien had toezicht over de werking van het hospitaal. In de 17de eeuw namen de zusters Augustinessen het werk over van de leken. Het Sint-Jacobshospitaal overleefde de woelige tijden van de Franse Revolutie. In 1843 werd het gebouw vergroot met een vleugel die ook nu nog in gebruik is voor bejaardenzorg. Het oudste deel is echter de kapel uit 1634, die werd geïntegreerd in de andere gebouwen. Je herkent ze aan de straatkant aan het afdakje. Onder een lege nis is nog de datum en een Franse inscriptie te lezen. Wandel je achter het gebouw (dat nu een bejaardentehuis van het OCMW is) dan zie je ook nog de oude hoevenstallen van het hospitaal.
> Dat kasteel heeft over de eeuwen heen trouwens nogal wat hoge personaliteiten over de vloer gekregen. Namen als Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria van Bourgondië, Maximiliaan van Oostenrijk, Maria di Medici, Filips II, Albrecht en Isabella kwamen er op bezoek of woonden er. Hier ook hielden de prins van Oranje en de hertog van Wellington krijgsberaad net voor de slag van Waterloo in 1815. Het kasteel viel over de eeuwen heen verscheidene malen ten prooi aan brand en plundering door legers. De huidige gebouwen zijn vooral 18de eeuws en worden nog steeds bewoond (al zowat 6 eeuwen) door de adellijke familie De Croÿ. Helaas is het kasteel niet te bezoeken. Het interieur bevat een haast prijsloze collectie van antieke meubels, schilderijen en boeken.
> Merkwaardig is ook de legende van Sint-Folianus die met het kasteel is verbonden. Die legende verhaalt dat in de buurt waar nu het kasteel staat, Sint-Folianus en zijn 2 metgezellen zouden zijn vermoord en onthoofd. Daarbij liet één van de moordenaars het hoofd uit zijn handen rollen. Het botste tegen de stam van een eik waarop stante pede een bron ontsprong op die plek. Die bron staat nog bekend als de 'fontaine sans fond' ('de bodemloze bron'). Bij opgravingen in het begin van vorige eeuw liet men de parkvijver droog leggen en ontdekte men op enkele meters diepte de resten van een oude eik...
> De plek waar later de resten van Folianus en zijn metgezellen werden gevonden werd gemarkeerd met een kruis in 655. Later kwam er een kapel en in de 12de eeuw kwam er dus de abdij van Saint-Feuillien. Gemiddeld waren er over de eeuwen heen zowat 30 monniken in de abdij maar met al het personeel vormde het een hele leefgemeenschap. Inkomsten kwamen er uit de landerijen, waarvan we er op onze weg naar Le Rœulx enkele passeerden. De abdij werd afgebroken eind 18de eeuw, op een paar resten na, zoals een muur en een stuk poort, is er niks van overgebleven.
> Le Rœulx is vandaag een rustig dorp. Je zit hier net buiten de grote industriezone rond La Louvière en Le Rœulx is dan ook vooral een residentieel dorp.
Spoorlijn 107
> Deze spoorbedding hoort tot de opgeheven lijn 107, die Ecaussinnes via Mignault verbond met La Louvière. Aangelegd in 1860 bleef de lijn meer dan 100 jaar in dienst. In 1965 werd het reizigersverkeer opgeheven. Het vrachtverkeer bleef nog een tijd doorgaan op het meest noordelijke en meest zuidelijke deel. Het stuk van de spoorweg dat we nu kruisen, werd volledig buiten dienst gesteld in 1983 en opgebroken in 1988. Het is de bedoeling dat hier een RAVeL komt.
Via Gallia Belgica variante
Startpagina > Wandelen > Pad van Sint-Follianus
> Vanaf deze brug lopen we weer over asfalt, langs de Ferme de la Planque. Kruispuntje met een andere rustige asfaltweg. Geen padmarkering hier, rechtdoor vervolgen, de ondergrond van de weg wordt steenslag. Voorbij het ‘Air Liquide’-station van Mignault, ter hoogte van paal 5.8.
> Links is het kerkje van Mignault te zien. De veldweg arriveert bij een betonweg ter hoogte van een kapel die ooit aan Sint-Donaat was gewijd. In de buurt ligt de oude Ferme de la Court waarvan de huidige gebouwen tot 1743 terug gaan. De geschiedenis van de hoeve is echter veel ouder. Al in de 12de eeuw zou de abdij van Saint-Feuillien uit Le Rœulx de hoeve hebben aangekocht.
> Rechtdoor vervolgen. Bij een brug onder een drukke weg door, deze staat niet op het topokaartje in de gids omdat hij pas begin jaren '00 werd aangelegd en in 2004 opengesteld. Hij werd gebouwd om doorgaand verkeer tussen Zinnik en La Louvière af te leiden.
> Kruising met alweer een oude spoorbedding.
> Over een licht draaiende asfaltweg langs de hoeve en voormalige bijgebouwen. Op de V-splitsing onmiddellijk na de hoevegebouwen was er geen padmarkering te zien. Niet links gaan maar rechtsvoor hier, langs een jonge aanplant van bomen. Deze geasfalteerde weg loopt naar het kasteeldomein 'Viviers'.
> Even opletten: Niet tot de ingang van het domein wandelen, maar net daarvoor een veldweg rechts nemen waar bordjes hangen ‘Chemin Privé, entrée interdit’. Ook hier ontbreekt padmarkering (moedwillig verwijderd door de eigenaar van het kasteel?). We gaan wel degelijk rechts deze 'chemin privé' op, de doorgang is publiek. Wat verder een bareel voorbij. De veldweg draait links rond het domein en verderop rechts. Bij het einde van een bosje op een driesprong links (geen markering). Op een T-kruispunt gaan we rechts (links is alweer privé). Er is hier weer padmarkering. Amai, men is hier bezeten van privéwegen.
> Onder de lift door en meedraaien naar links. Ietsje verder de spoorlijn kruisen (vlakbij ligt het station van Thieu) en dan eerste weg rechts, de Rue du Charbonnage. We lopen in deze omgeving even samen met het Terrilpad GR 412 maar niet voor lang.
> Op een schuin T-kruispunt links nemen. We komen dadelijk aan een kruispunt (bakker, buurtwinkel), steken een drukke weg over en vervolgen in de Rue des Huberts. Waar de wegverharding ophoudt rechtdoor in het verlengde over een dalend onverhard pad. Op het einde van dit pad pikken we een brede wijkstraat op in een bocht. Zelfde richting vervolgen. Voorbij een rond punt (café) en voorbij de Ferme Delsamme gaan we rechts naar de kerk van Strépy.
> Nogal wat verkeer op deze weg, hij leidt naar een volgende kapel, de Chapelle Notre Dame de Bon Secours, geflankeerd door 2 stevige kastanjelaars (rustbank). Op deze driesprong naar links, verder langs de oude bakstenen muur van het kasteeldomein van Le Rœulx. Al snel komen we de bebouwde kom van Le Rœulx binnen. De weg naar de kerk links laten liggen en steeds rechtdoor tot we op het marktplein in het centrum van Le Rœulx komen. Rond het mooie plein vind je ondermeer het gemeentehuis, enkele cafés, een buurtwinkel en zitbanken. We zijn nu 25 km ver over de Chemin de Saint-Feuillien.
> We gaan rechts om dit plein in de lengte te volgen. Op het eind komen we in de wijk Faubourg de Binche. Rechts ligt het historische Sint-Jacob pelgrimshospitaal van Le Rœulx, nu rusthuis en zetel van het OCMW.
> Langs de kerk van Strépy over een klinkerpad, dit verder volgen. Diep rechts ligt een natuurgebied rond een vijver. Het klinkerpad maakt een haakse bocht links en komt weer op de hoofdweg door Strépy. Rechts en bij de daaropvolgende V-splitsing de lagere weg volgen. Net voor die weg verderop een bocht naar links maakt nemen we de half gekasseide-half geasfalteerde Rue du Bois d’Huberbu. Deze asfaltweg zullen we een paar kilometer volgen nu.
> We zijn de bebouwde kom van Strépy uit en stijgen wat. Links doemt een eerste terril op, Terril du Quesnoy. Op het hoogste punt van de weg krijgen we een schitterend vergezicht over een hele rij terrils. We blijven de Rue du Bois d’Huberbu volgen, ook als ze in een langgerekt lint door een woonwijk van Trivières trekt.
> Op het einde gaat de straat over in de Rue du Pont Rouge die we nog even blijven volgen in een bocht. Bij een driesprong rechts en de gekanaliseerde Haine over. Op een volgend kruispunt rechts. We passeren een frituur en deze asfaltweg komt verderop langs een kasteeldomein en een tennisterrein. Dan volgt een groene en natte zone, de weg slingert iets meer en kruist weer de gekanaliseerde Haine.
> Wat helaas wat opvalt hier is het vele sluikafval. De inwoners lijken weinig respect en liefde te hebben voor hun streek. De verloedering in Henegouwen contrasteert toch wat met het begin van onze wandeling in de provincie Waals-Brabant. In een bocht nemen we een onverhard pad links. Voorbij een oud waterpompstation stevent de veldweg af op de Terril Ste Elisabeth, een relatief kleine terril die werd gecreëerd vanaf de jaren '20 van vorige eeuw. Linksvoor ligt de kerk van Péronnes-Lez-Binche. Op een kruispuntje aan de voet van de terril rechtdoor, Rue du Champ du Cocher.
> Bij het kruispunt met een kaarsrechte verkeersweg rechtdoor. Even op kassei en dan rechtdoor over een lange veldweg die ons helemaal tot het eindpunt van onze wandeling over de Chemin de Saint-Feuillien moet brengen. Ondertussen is de zon al onder. Af en toe een blik over de schouder om te genieten van de horizonlijn van terrils in een roze lichtgloed.
> De veldweg komt uiteindelijk uit op een plek die ‘Prince d’Orange’ heet. Even naar links tot het rondpunt gewandeld. Hier eindigt ons pad. De Chemin de Saint-Feuillien sluit hier naadloos aan op de Via Gallia Belgica. Hier ook loopt de oude Romeinse weg naar Bavay. Het was in 655 de bedoeling dat Sint-Folianus deze weg zou nemen op zijn tocht maar zoals bekend raakte hij dus vanuit Nijvel zover niet. Waudrez is trouwens ontstaan uit een Romeinse vicus. Wil je het Galloromeins museum van Waudrez bezoeken, wandel dan op dit rond punt naar links 500 meter.
> Rest nog 2 kilometer tot het centrum van het oude omwalde stadje Binche. Einde
> Op een volgend kruispuntje rechtdoor. We lopen nu door een populierendreef. Links ligt een grote eendenkwekerij. De padbedekking gaat over in kiezel en draait rechts een woonwijk ik. Op asfalt links tussen de huizen. Dit gehucht heet 'Hameau de l’Enfer’ (‘gehucht van de hel’...). Even later een rechts-links, de Rue des Ecaussinnes in.
> Deze straat volgen we lange tijd rechtdoor, aanvankelijk stijgend. De laatste huizen voorbij passeren we op het hoogste punt door een strook bos en langs een waterpompstation en vergaarbekken. We kruisen de weg Soignies – La Louvière bij een restaurant en vervolgen recht door. Niet veel later volgen we bij een manège rechtdoor over een steenslagweg. Mooi uitzicht rechts, we lopen hier vrij hoog.
> We passeren meer privéwegen en ons pad snijdt zich snel en diep in door bos. Zo dalen we naar een asfaltweg bij een oude barokkapel uit het begin van de 18de eeuw, de Chapelle St-Joseph. Links hier.
Hoeve Delcourt
Spoorviaduct van 9 bogen te Mâlon-Fontaine

Ferme de Soumiaux
Onderweg naar Ferme de la Chapelle
St-Jozefskapel (1702)
Kerk Le Rœulx
Gemeentehuis Le Rœulx
Abdij Saint-Feuillien eind 16de eeuw (albums De Croÿ)
19de eeuwse gebouwen van het oud Sint-Jakobshospitaal
Kerk Thieu
Van Thieu naar Strépy
Oude scheeplift op het Centrumkanaal
Terril Sainte-Elisabeth
Veldweg naar Waudrez
Populierendreef
Glazenmaker
Brouwerij Friart
> Mede-initiator en sponsor in het verleden van ons wandelpad 'Chemin de Saint-Feuillien' is brouwerij Friart uit Le Rœulx. Bekendste bier in hun brouwgamma is de Tripel Saint-Feuillien, een stevig, kruidig biertje met een alcoholgehalte van 8,5 %. Hoewel het etiket het jaar 1125 vermeldt, slaat dat gewoon op de stichtingsdatum van de abdij van Saint-Feuillien, niet op de biertraditie.
> De familie Friart baat in Le Rœulx al sinds 1860 een brouwerij uit, op de Rue Houdeng. In 1980 stopte de brouwerij maar 8 jaren later begon toch een nieuwe generatie Friart weer te brouwen. De tripel wordt ter plaatse gebrouwd en gebotteld. Sommige bieren van Friart worden echter bij brouwerij du Bocq in Purnode gemaakt. Bedoeling is om alles op termijn naar Le Rœulx te brengen. Dominque Friart leidt op een dynamische manier het bedrijf.
> Saint-Feuillien heeft inmiddels ook een stevige internationale reputatie. Nogal wat hectoliters vinden hun weg naar landen over de hele wereld. Sommige bieren hebben ook al prestigieuze internationale smaakprijzen gewonnen de laatste jaren. Een bezoek aan de brouwerij is mogelijk maar enkel in groep van 10 personen en na afspraak. Kan je de brouwerij niet bezoeken dan is toch een bezoekje aan één van de cafés in Le Rœulx waar Saint-Feuillien wordt geserveerd een must!
Scheepslift Strépy-Thieu
> Na het Hellend Vlak van Ronquières komen we hier weer bij een zeer opvallende scheepvaartconstructie. Ook dit bouwwerk kwam er om de waterscheidingslijn tussen het Schelde en Maasbekken te overbruggen en zo het industriële Henegouwen noordelijk te ontsluiten over het water.
> Oorspronkelijk werden er 4 kleinere scheepsliften gebouwd, einde 19de, begin 20ste eeuw. We passeren er zo dadelijk één over de Chemin de Saint-Feuillien. Al snel was er echter vraag naar een verschepingsmogelijkheid voor schepen met een veel grotere tonnenmaat. De bestaande scheepsliften konden immers maar schepen aan tot 300 ton. Over de invulling van de aanpak om het centrumkanaal bevaarbaar te maken voor schepen van de Europese tonnenmaat 1350 werd vele jaren gepalaverd. Was het niet dat de haven van Zeebrugge vele miljoenen aan investering kostte dan was dit project er nooit gekomen. De scheepslift past in het plaatje van Belgische wafelijzerpolitiek, waarbij ook Wallonië zijn aandeel moet krijgen.
> In 1957 werd dan toch beslist om het Centrumkanaal aan te passen voor schepen van 1350 ton maar het duurde nog jaren vooraleer men er uit was hoe dat te realiseren. In 1974 kwam er dan het plan voor een omleidingskanaal met scheepslift bij het Centrumkanaal. De werken begonnen effectief in 1982. In 2002 kon het eerste schip de scheepslift gebruiken. Dat het allemaal zolang heeft geduurd had vooral te maken met twijfels over het nut van dit project in een periode van sluiting van de Henegouwse steenkoolmijnen en met de overdracht van het project van Belgisch naar Waals investeringsniveau. Het project kostte 625 miljoen € en groeide uit tot een Waals prestigeproject. Jaarlijks zijn er zo'n 5000 liften van schepen. In één keer wordt 73 meter hoogteverschil overbrugd. Het is in zijn soort de grootste scheepslift ter wereld. Al voor de openstelling is de scheepslift van Strépy-Thieu een toeristische attraktie. Het is mogelijk de scheepslift te bezoeken, ook voor individuele bezoekers.
Oude scheepslift Thieu - UNESCO-monument
> Het industrieel bekken van Charleroi was al langer noordelijk ontsloten naar Brussel via het kanaal Brussel - Charleroi. Om ook het steenkool- en industriebekken van Bergen en La Louvière noordelijk te ontsluiten werd het Centrumkanaal gegraven vanaf 1832.
> Hoofdprobleem was ook hier het grote hoogteverschil van bijna 90 meter. Dat kan worden overwonnen door een massa sluizen maar dat is erg onpraktisch. Inspiratie werd gevonden in Zuid-Engeland waar al geëxperimenteerd werd met een systeem van scheepsliften.
> Hier op het Centrumkanaal werden dus eind 19de - begin 20ste eeuw 4 zulke metalen constructies gebouwd. De dubbele bakken kunnen via een hydraulisch systeem schepen tot 300 ton zo'n 15 meter optillen of laten zakken. Door de aanpassing van het Centrumkanaal voor schepen van 1350 ton en de bouw van de grote scheepslift van Strépy-Thieu op een lateraal kanaal werden ze vanaf 2002 overbodig.
> Het oorspronkelijke plan bij de bouw van de nieuwe lift was dan ook om de oude later af te breken maar ze zijn ondertussen, na 100 jaar, merkwaardig industrieel patrimonium geworden. Zo bijzonder dat ze door UNESCO in 1998 op de lijst van Werelderfgoed zijn geplaatst. De 4 scheepsliften zijn overigens nog perfect in werking, al worden ze sinds de openstelling van de grote nieuwe lift nog enkel voor plezierboten ingezet.
Strépy
> Strépy is een oud dorp, waarschijnlijk ontstaan uit een kleine nederzetting in het grote Kolenwoud. Zoals de geschiedenis van Sint-Folianus ons leerde was dit gebied immers voor het jaar 1000 bedekt door een groot woud waarin kolenbranders aktief waren. De parochie Strépy stond trouwens eeuwenlang onder het bestuur van de abdij Saint-Feuillien te Le Rœulx.
> De grote vijvers die we zo dadelijk rechts zien van de Chemin de Saint-Feuillien, zijn het gevolg van grondverzakkingen door de mijnbouw in de streek. Oorspronkelijk waren het weiden rond een beekvallei. Door de verzakkingen evolueerde dat van moeras naar vijvers. Enkele vijvers hebben vandaag een recreatieve functie als visvijver, de grootste is echter een natuurreservaat met een zeer gevarieerde rijkdom aan planten.
De Weg van Sint-Follianus- 37 km